Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:15759
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.14818 en NL23.14819
uitspraak van de enkelvoudige kamer van *** in de zaken tussen
[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1,
mede namens haar minderjarige zoon [minderjarige zoon], v-nummer: [nummer 2],
[eiseres 2]
, v-nummer [nummer 3], eiseres 2,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I. Lohman-Kamphuis).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers zijn van Libanese nationaliteit. Eiseres 1 is geboren op
[geboortedatum 1] 1982. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 1951. Zij hebben op 20 oktober 2021 aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 13 juli 2022 afgewezen als ongegrond. Bij bericht van 28 december 2022 heeft de minister de besluiten van 13 juli 2022 ingetrokken. Bij bestreden besluiten van 20 april 2023 heeft de minister opnieuw afwijzend op de asielaanvragen van eisers beslist.
1.1.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is omdat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eisers leggen aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers behoren tot de Druzen geloofsgemeenschap in Libanon. De nicht van eiseres 1 is er op enig moment achtergekomen dat eiseres 1 is getrouwd met een Egyptische Moslimman. Dit is volgens eisers niet toegestaan in hun geloofsgemeenschap. Als gevolg hiervan zijn eiseres 1 en eiseres 2 op 23 maart 2021 fysiek aangevallen en verbaal bedreigd door familieleden (hierna: het incident). Daarbij heeft eiseres 2 verwondingen opgelopen. Eisers zagen zich hierdoor genoodzaakt om te vluchten. In de tijd die zij tot hun vlucht nog in Libanon hebben doorgebracht zijn de familieleden overgegaan tot pesterijen.
De bestreden besluiten
5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
gemengd religieus huwelijk van eiseres 1 en daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat beide relevante elementen geloofwaardig zijn, maar dat het relaas niet zwaarwegend genoeg is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Hadden eisers nader moeten worden gehoord?
6. Eisers betogen dat zij, na intrekking van de besluiten van 13 juli 2022, nader hadden moeten worden gehoord. Zij wijzen erop dat in deze zaak de vraag voorligt of het relaas van eisers maakt dat voor hen een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM als zij terugkeren naar Libanon maar dat daaraan niet voldoende aandacht is geschonken in het nader gehoor. De minister moet eiseres 1 alsnog de gelegenheid geven om hierover (uitgebreider) te verklaren.
7. De rechtbank volgt het betoog van eisers niet. De omstandigheid dat de minister het karakter van de beoordeling heeft aangepast van een geloofwaardigheidsbeoordeling (in de ingetrokken besluiten van 13 juli 2022) naar een zwaarwegendheidsbeoordeling (in de bestreden besluiten van 20 april 2023) maakt op zichzelf niet dat eisers opnieuw moeten worden gehoord. Daarbij is van belang dat de minister bij de zwaarwegendheidsbeoordeling exact hetzelfde relaas heeft beoordeeld als hij eerder heeft gedaan bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers hebben in de zienswijze op het nieuwe voornemen van de minister kunnen reageren. Eisers hebben daarbij niet concreet gemaakt wat zij meer of anders zouden verklaren dan zij in de zienswijze en in beroep naar voren hebben gebracht als zij opnieuw zouden zijn gehoord in het kader van een zwaarwegendheidsbeoordeling. Er bestaat gezien het voorgaande geen reden voor het oordeel dat de minister door eisers niet opnieuw te horen in strijd heeft gehandeld mat artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Heeft de minister de relevante elementen juist vastgesteld?
8. Eisers betogen dat de minister de relevante elementen in de bestreden besluiten van 20 april 2023 ten onrechte heeft veranderd ten opzichte van de ingetrokken besluiten van
13 juli 2022. In de bestreden besluiten heeft de minister bij de relevante elementen volgens eisers ten onrechte niet meegenomen dat eiseres 1 zich genoodzaakt voelde om ontslag te nemen van haar werk, dat zij niet meer naar buiten kon omdat zij werd geprovoceerd en dat zij vreesde te worden vermoord. Volgens eisers kan de minister niet eerst de relevante elementen aanpassen ten opzichte van een eerder besluit en beide elementen dan geheel geloofwaardig achten. De minister kan hun vrees om bij terugkeer te worden vermoord niet ongeloofwaardig achten en aan hen tegenwerpen. Volgens eisers is daarom sprake van ‘reformatio in peius’, ze zijn slechter geworden van het instellen van beroep.
9. De rechtbank volgt het betoog van eisers niet. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht is het hiervoor bedoelde deel van het asielrelaas van eisers door de minister in de bestreden besluiten getoetst op zwaarwegendheid, terwijl het in de ingetrokken besluiten van 13 juli 2022 nog als ongeloofwaardig werd aangemerkt. De minister heeft verder toegelicht dat dit verschil in toetsing niets heeft veranderd aan de conclusie van de minister, namelijk dat de aanvragen van eisers moeten worden afgewezen. Dat verklaringen van eisers in de bestreden besluiten op een andere wijze zijn getoetst dan in de ingetrokken besluiten van 13 juli 2022 maakt daarom niet dat eisers door het instellen van beroep slechter zijn geworden.
Lopen eisers een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Libanon?
10. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Libanon te vrezen hebben voor ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het incident (zie onder 4) was niet dusdanig ernstig dat dat zo’n vrees aannemelijk maakt. Belangrijk is, en daar ligt wat de minister betreft de nadruk, dat eisers na het incident nog ruim zeven maanden in Libanon hebben verbleven zonder dat zij zijn aangevallen. De pesterijen die in die maanden hebben plaatsgevonden (zie onder 4) kunnen niet worden aangemerkt als ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
11. Eisers betogen dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico lopen op ernstige schade door eerwraak. Het is onbegrijpelijk dat de minister zich op het standpunt stelt dat zij niet te vrezen hebben van hun familie, terwijl hij de aanval en de provocaties geloofwaardig acht. Eisers wijzen erop dat hun (schoon)familie streng religieus is en dan met name de schoonfamilie van de broer van eiseres 1. Eisers wijzen erop dat de mishandeling en bedreiging van eisers en de streng religieuze aard van de familie van eisers niet los van elkaar kunnen worden gezien. Er was volgens eisers sprake van eerwraak en de kans is reëel dat het conflict uit de hand gaat lopen als eisers terugkeren. De omstandigheid dat eisers nog zes of zeven maanden in hun dorp zijn blijven wonen heeft te maken met de uitreisbeperkingen in verband met corona, dit mag de minister eisers niet tegenwerpen.
12. Het betoog van eisers slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eisers volgens hem niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico lopen op ernstige schade en daarom op schending van artikel 3 van het EVRM.
12.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister het incident op 23 maart 2021 geloofwaardig acht. Bij dat incident zijn eisers fysiek aangevallen en verbaal bedreigd. Over die verbale bedreiging heeft eiseres 1 tijdens het nader gehoor verklaard:
“Wat werd er gezegd tijdens die mondelinge bedreiging?
Dat ik schande was voor de familie en omdat ik een tante van de dochter van de vrouw van mijn broer ben wilt niemand trouwen met mijn nichtje. Ze zeiden dat ik het dorp moet verlaten want anders word ik vermoord.”
De minister acht de bedreiging geloofwaardig, maar uit de motivering van de aannemelijkheid van de vrees blijkt niet dat de minister het geheel van wat er zich op 23 maart 2021 heeft afgespeeld, de fysieke aanval én de verbale bedreiging, in de beoordeling heeft betrokken. Dit had de minister wel moeten doen. Dat eisers na het incident nog zeven maanden in Libanon hebben kunnen verblijven maakt dat niet anders.
Conclusie
14. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister daarvoor een termijn van acht weken na deze uitspraak, waarbij de rechtbank van belang acht dat in deze zaak de 21 maanden termijn uit de Procedurerichtlijn is overschreden.
15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt de minister op om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot betaling van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:608.