Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:15403
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,368 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35186
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie
.
Procesverloop
De minister heeft op 10 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring en het voortduren van deze maatregel al eerder getoetst bij uitspraken van 30 april 2024, 12 juni 2024, 11 juli 2024 en 21 augustus 2024.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 10 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 september 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 augustus 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 14 augustus 2024) rechtmatig is.
Had de minister de maatregel eerder moeten opheffen?
3. Eiser betoogt dat de minister onduidelijk heeft gemotiveerd waarom een belangenafweging niet eerder in het voordeel van eiser had kunnen uitvallen. De minister heeft als resultaat van een belangenafweging besloten de bewaring van eiser op 10 september 2024 op te heffen, omdat zijn identiteit en nationaliteit na zes maanden niet is vast komen te staan. Eiser voert aan dat hij bij de opheffing van de maatregel niet zes maar vijf maanden in bewaring heeft gezeten en dat, nu er sprake is van willekeur, de belangenafweging eerder in het voordeel van eiser had moeten uitvallen. Eiser betoogt daarom dat de maatregel vanaf het sluiten van het vorige onderzoek (op 14 augustus 2024) onrechtmatig is.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of de minister de maatregel eerder had moeten opheffen zich beperkt tot de periode vanaf het moment van het sluiten van het vorige onderzoek (op 14 augustus 2024) tot en met het opheffen van de maatregel op 10 september 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet onderbouwd waarom de minister de maatregel binnen deze periode eerder had moeten opheffen. Het feit dat de minister op 10 september 2024 de belangenafweging in het voordeel van eiser heeft laten uitvallen maakt niet dat er sprake is van willekeur en dat de bewaring vanaf 14 augustus 2024 onrechtmatig is. Uit de voortgangsrapportage volgen ook geen feiten of omstandigheden waarin de minister aanleiding hadden moeten zien de bewaring eerder op te heffen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel tot de datum van opheffing niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 30 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6494.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 12 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9332.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 11 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10813.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 21 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13497.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.