Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:15340
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,070 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36592
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 3 augustus 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 25 september 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 20 augustus 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds 19 augustus 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk zicht op uitzetting is naar Algerije. De uitspraak van 6 mei 2024 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt, is gebaseerd op cijfers van voor maart 2024. Volgens eiser duurt het altijd zeer lang voordat aan Algerijnse vreemdelingen een laissez-passer (LP) wordt verstrekt. Eiser verzoekt de rechtbank daarom om verweerder te verzoeken om recente cijfers over te leggen over het aantal aanvragen en afgiftes van LP’s en de gemiddelde duur van die procedures.
5. De beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024 volgt dat het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Eisers heeft niet concreet onderbouwd dat dit in zijn geval anders is. Het enkele feit dat sinds de Afdelingsuitspraak enkele maanden zijn verstreken, is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Daar komt bij dat voor eiser een LP-aanvraag is ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en dat zijn presentatie aan diezelfde autoriteiten op 3 oktober 2024 gepland is. Bovendien is verweerder in het bezit van een kopie van eisers paspoort. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om gehoor te geven aan het verzoek van eiser.
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2024:13347.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie pagina 1 van het verslag van het vertrekgesprek van 28 augustus 2024.