Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:15229
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,044 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33116
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: S.J. de Vries).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn. Hij heeft op 13 augustus 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 augustus 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op 12 september 2024 laten weten dat eiser sinds
3 september 2024 geregistreerd staat als vertrokken met onbekende bestemming (MOB). Naar aanleiding hiervan heeft gemachtigde van eiser de rechtbank diezelfde dag laten weten ook geen contact meer te hebben met eiser. Hij weet niet waar eiser verblijft. Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming verleend om het beroep zonder zitting te behandelen.
1.2.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dan wanneer een vreemdeling, die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verder stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem heeft en evenmin informatie heeft verstrekt over de verblijfplaats van eiser. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank is van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke behandeling van het beroep en geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2024:2662.