Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:15227
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,865 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.33315 en NL24.33414
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Kowsari).
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft beide beroepen op 4 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Belkassem. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
Over bestreden besluit 1
2. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit niet is voorzien van een rechtsgeldige handtekening en dat het besluit niet aan eiser in persoon is uitgereikt. Opgenomen is slechts een standaardformulering over uitreiking met twee opties die aangekruist hadden moeten worden, wat niet is gebeurd.
3. Eiser heeft ter zitting de grond over de rechtsgeldige handtekening laten vallen.
4. Onderaan bestreden besluit 1 is het volgende vermeld:
“De vreemdeling is over dit besluit mondeling geïnformeerd.
Een afschrift van dit besluit is onmiddellijk aan de vreemdeling uitgereikt”.
5. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat op een door een bevoegd ambtenaar opgesteld document is vermeld dat dit aan eiser is uitgereikt en gaat daarom uit van de juistheid van de inhoud van dit document. Hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan de inhoud van het document te twijfelen. Voorts blijkt uit het document niet dat in de aangehaalde passage iets zou moeten worden aangekruist om dit van toepassing te laten zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het besluit rechtsgeldig aan eiser in persoon is uitgereikt en op de juiste wijze is bekend gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Over bestreden besluit 2
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser heeft deze gronden niet bestreden. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen.
8. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de aan deze maatregel voorafgaande maatregel te lang heeft voortgeduurd nadat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken en dat die eerdere maatregel daarom onrechtmatig is. Deze onrechtmatigheid moet doorwerken in de onderhavige maatregel, zodat deze ook onrechtmatig is.
9. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser op 16 augustus 2024 in bewaring is gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59b van de Vw. Op 19 augustus 2024 heeft hij de lopende asielaanvraag ingetrokken en op 22 augustus 2024 is de maatregel van 16 augustus 2024 opgeheven en is bestreden besluit 2 opgelegd.
10. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2218), waarin is geoordeeld dat in geval van onrechtmatigheid van een eerder opgelegde maatregel, deze onrechtmatigheid door kan werken naar een later aansluitend opgelegde maatregel in geval van een ernstige schending van het recht van de vreemdeling om na vaststelling van de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel in vrijheid te worden gesteld.
11. Eiser heeft ter zitting verklaard dat tegen de maatregel van 16 augustus 2024 geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de onrechtmatigheid van deze maatregel niet is vastgesteld. Daarom komt zij niet toe aan de vraag of de gestelde onrechtmatigheid doorwerkt in de rechtmatigheid van de onderhavige maatregel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Over de beroepen
13. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 september 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.