Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:15090
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,653 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.27482
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. D. Aygur),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. T. Tichelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juli 2024 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Aanmeldgehoor en voornemen
5. Eiser voert aan de minister tijdens het aanmeldgehoor ten onrechte geen nadere vragen heeft gesteld toen hij verklaarde over hoe hij in Bulgarije is behandeld (onder andere dat hij geen medische zorg kreeg, werd mishandeld en in een cel werd geplaatst). Volgens eiser was het gehoor dus onzorgvuldig. Ook is het voornemen onvoldoende gemotiveerd, omdat daarin onvoldoende is ingegaan op de voornoemde ervaringen.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het gehoor onzorgvuldig was. Eiser is tijdens het gehoor in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije naar voren te brengen. Daarbij heeft eiser ook voldoende kunnen verklaren over zijn ervaringen in Bulgarije. Er is dus een ‘persoonlijke onderhoud’ gevoerd met eiser, als bedoeld in artikel 5 van de Dublinverordening. Vervolgens is er een voornemen uitgebracht. Hierin heeft de minister voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Daarin staat ook dat de minister geen reden ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het voornemen zijn dus alle voor het standpunt van de minister dragende overwegingen opgenomen. In het bestreden besluit is vervolgens kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor, en op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek.2 De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser blijkt uit zijn verklaringen dat hij in Bulgarije is behandeld in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat de bewijslast omdraait. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 26 april 20233. Volgens eiser mag niet van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Bulgaarse autoriteiten, mede omdat er een gebrek is aan rechtsbijstand en tolken. Eiser wijst daarbij op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 19 februari 20244 en zittingsplaats Haarlem van 16 februari 20245 en 28 februari 20246. Eiser wijst verder onder andere op de problemen in de opvang en detentie en het geweld en de pushbacks aan de grens. Eiser verwijst daarbij naar het AIDA-rapport van 30 maart 2023, update 2022 en informatie van Human Right Watch7, UN-Committee on the Elimination of Racial Discrimination8, Bulgarian Helsinki Committee9, InfoMigrants10 en Border Violence Monitoring Network11.
2 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
3 ECLI:NL:RBDHA:2023:6503.
4 NL23.32755 (niet gepubliceerd).
5 NL23.17284 (niet gepubliceerd).
6 ECLI:NL:RBDHA:2024:4418.
7 https://www.ecoi.net/en/document/2103209.html.
8 https://www.ecoi.net/en/file/local/2102668/G2326109.pdf.
9 https://www.bghelsinki.org/en/reports/BHC-human-rights-in-bulgaria-in-2022-en.
10 https://www.infomigrants.net/en/post/51197/bulgaria-migrant-pushbacks-whats-behind-the-rise-in-violence-at-the-bulgarianturkish-border-14.
11 https://borderviolence.eu/reports/balkan-regional-report-august-2023/ en
8. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Bulgarije onlangs nog bevestigd in de uitspraak van 27 juni 202412. Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat de Bulgaarse autoriteiten het unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Daarvan is sprake in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
9. De rechtbank oordeelt dat eiser hier niet in is geslaagd. De verklaringen van eiser over wat hij in Bulgarije heeft meegemaakt zijn hiervoor op zichzelf onvoldoende zwaarwegend. Hierover is in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser na overdracht niet illegaal zal inreizen, maar op grond van de Dublinverordening Bulgarije zal binnenkomen. Eiser heeft met zijn verklaringen dus niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Wat betreft de rechtbankuitspraken, het AIDA-rapport en de overige informatie waarnaar eiser heeft verwezen, is in het bestreden besluit terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2024 die dateert van na de rechtbankuitspraken die eiser aanhaalt. In die uitspraak is de Afdeling ingegaan op het meest recente AIDA-rapport en heeft geoordeeld dat nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De rechtbank ziet in de overige informatie die eiser aanhaalt geen aanleiding om daarover anders te oordelen. Uit de rapporten blijkt weliswaar van opvangproblemen en pushbacks, maar niet van een ander beeld over de positie van Dublinterugkeerders. Uit de informatie kan niet worden afgeleid dat Dublinterugkeerders in een situatie terechtkomen die de drempel van zwaarwegendheid bereikt. Verder hebben de Bulgaarse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat ze de asielaanvraag van eiser in overeenstemming met de daarvoor geldende verplichtingen zullen behandelen. Er mag daarom van eiser verwacht worden dat hij in Bulgarije klaagt als hij toch problemen ondervindt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie
10. Eiser voert aan dat hij psychische problemen heeft door zijn ervaringen in Bulgarije, en daarvoor in behandeling is bij een psycholoog of psychiater. Eiser heeft daartoe zijn patiëntdossier overgelegd. In de aanvullende gronden van 2 augustus 2024 heeft eiser aangegeven dat de dosering van zijn antidepressiva (Mirtazapine) is verdubbeld van 15 mg naar 30 mg, en dat hij suïcidale gedachten heeft. Eiser heeft daarbij een foto van het medicijndoosje overgelegd. Op 14 augustus 2024 zal zijn gezondheid opnieuw beoordeeld worden.
Conclusie
13 C-578/16, ECLI:EU:C:2017:12.
14 Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303 en 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566.
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling is gesteld en dat eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 augustus 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.