Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:15006
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
866 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13029
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker,
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de minister van Asiel en Migratie
.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de brief van de minister van 8 februari 2024 waarin staat dat zijn recht op bescherming als bedoeld in richtlijn 2001/55/EG na 4 maart 2024 eindigt en verzoeker een terugkeerbesluit krijgt dat inhoudt dat verzoeker voor 1 april 2024 moet vertrekken uit Nederland.
1.1.
Verzoeker heeft op 25 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de brief van 8 februari 2024. Verzoeker heeft de rechtbank op dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende dat bezwaar.
1.2.
De minister heeft op 19 juni 2024 beslist op bezwaar en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In dit besluit is ook vermeld dat het aangekondigde terugkeerbesluit niet is genomen
1.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.
Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, dan kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een verzoek om voorlopige voorziening kan dus alleen worden gedaan als er ook bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen het besluit. Als de minister een besluit op het bezwaar neemt voordat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist, dan stelt de voorzieningenrechter verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep tegen dit besluit in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt in dat geval gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
2.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister een besluit op het bezwaar heeft genomen voordat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist. Verzoeker heeft vervolgens geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Omdat er geen aanhangig bezwaar of beroep meer is, is het verzoek niet-ontvankelijk.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Dat volgt uit artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.