Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:14990
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,051 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27723
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposante], opposante,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam])
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2023 in het geding tussen
opposante
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geopposeerde.
Procesverloop
Bij uitspraak van 4 december 2023 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist op het verzoek tot proceskostenvergoeding van opposante, nu haar asielaanvraag is ingewilligd en het beroep vervolgens is ingetrokken.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan op 5 december 2023.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het verzoek tot proceskostenvergoeding van opposante afgewezen. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend zodat het beroep – als dat niet was ingetrokken – niet-ontvankelijk zou zijn verklaard.
2. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert het volgende aan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over het verlengen van de beslistermijn met de WBV 2022/22, meent opposante dat de aangevallen uitspraak voorbarig is. De rechtbank kan dan ook niet volstaan met te verwijzen naar haar uitspraken van deze zittingsplaats van 21 maart 2023. Opposante stelt dat zij verweerder niet te vroeg in gebreke heeft gesteld.
4. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat niet tot een kennelijk oordeel kon worden gekomen. In verzet zijn immers geen argumenten naar voren gebracht die in het geval van een normale behandeling (ter zitting) hadden kunnen worden aangevoerd en waardoor twijfel zou zijn ontstaan over de uitkomst van het verzoek. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in drie uitspraken van 21 maart 2023 en in alle vergelijkbare zaken sindsdien. De aanhangige prejudiciële vragen over de verlengde beslistermijn zouden in beroep evenmin tot een andersluidende uitspraak hebben geleid. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze vragen namelijk nog niet beantwoord.
5. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 september 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4125.
De toelichting bij het besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775.
Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2177.
ECLI:NL:RBDHA:2023:3698, ECLI:NL:RBDHA:2023:3697 en ECLI:NL:RBDHA:2023:3701.