Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:14989
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
945 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13238
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[opposant], opposant,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geopposeerde.
Procesverloop
Bij uitspraak van 24 augustus 2023 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk gegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op zitting te worden gehoord. De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag gegrond verklaard. De rechtbank heeft hierin verweerder opgedragen om binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag van opposant bekend te maken.
2. Opposant meent dat de rechtbank ten onrechte een nadere beslistermijn van twintig weken heeft bepaald. Opposant stelt onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023 dat de beslistermijn in strijd is met de belangen van het kind om spoedig herenigd te worden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank volgt opposant niet in zijn stelling dat geen nadere beslistermijn van twintig weken kon worden opgelegd. De gekozen termijn is gebaseerd op rechterlijk beleid en is door de rechtbank toegelicht in de aangevallen uitspraak. Daarin is ook toegelicht waarom de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een bijzonder geval bij aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Voorts wijst de rechtbank op het dossier waaruit blijkt dat de aanvraag weliswaar is bevestigd, maar dat verweerder verder niet naar de aanvraag heeft gekeken. In verzet is niet alsnog gebleken dat het onderzoek naar de aanvraag al (deels) was verricht op de datum van de aangevallen uitspraak. Overigens biedt hetgeen opposant heeft aangevoerd geen grond voor de conclusie dat de rechtbank ten onrechte tot zijn kennelijke oordeel is gekomen.
5. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot het kennelijke oordeel is gekomen dat aan verweerder een beslistermijn van twintig weken kan worden opgelegd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 september 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBDHA:2023:12847.
ECLI:NL:RVS:2023:3209.