Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:14985
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31979
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),
en
de minister van Asiel en Migratie,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek om een voorlopige voorziening met voorrang te behandelen. Verzoeker refereert zich aan de beslissing van de voorzieningenrechter op dit verzoek.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter treft bij deze uitspraak een voorlopige voorziening op grond van de volgende overwegingen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat volgens verweerder België daar op grond van de Dublinverordening voor verantwoordelijk is. Deze verordening stelt een uiterste overdrachtsdatum (UOD) waarbinnen verzoekers dienen te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat.
3. In het geval van verzoeker loopt de UOD op 1 november 2024 af. De zitting waarop het beroep wordt behandeld, is gepland op 28 oktober 2024. Verweerder heeft meegedeeld dat op basis van deze gegevens de uitspraak op het beroep mogelijk niet vóór de UOD wordt gedaan. Nu verweerder schorsende werking toekent aan het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep, komt daarmee de mogelijkheid om verzoeker over te dragen in gevaar.
4. De rechtbank en de voorzieningenrechter hebben niet de mogelijkheid het beroep respectievelijk het verzoek eerder dan 28 oktober 2024 op zitting te behandelen. In die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel toe te wijzen.
5. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit schorsen en bepalen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België tot één week nadat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België tot een week nadat is beslist op zijn beroep in zaak NL24.31978;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2024 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.