Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:14972
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,551 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25133
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Inleiding
Met het besluit van 13 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Uit deze beoordeling volgt dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is en dat hij heeft te vrezen voor de Iraanse autoriteiten, omdat hij heeft deelgenomen aan drie demonstraties tegen het Iraanse regime bij de Iraanse ambassade in Nederland.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig gevonden. Het is volgens verweerder echter niet geloofwaardig dat eiser afvallige is. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij nooit een geloof heeft gehad en dat hij niet praktiseert en zijn ouders evenmin. Uit eisers verklaringen blijkt daarom niet van een verandering in zijn geloofsbelijdenis. Het is evenmin aannemelijk dat eiser door de Iraanse overheid als afvallige wordt beschouwd. In zijn baan bij de Iraanse ordedienst is eiser disciplinair bestraft omdat hij zich onvoldoende hield aan de regels voor het praktiseren van het geloof. Ook heeft hij daardoor geen vaste aanstelling gekregen. Verdere problemen met de autoriteiten heeft eiser echter niet gehad, ook niet na beëindiging van zijn dienstverband. Voor zover eiser na het mislopen van zijn vaste aanstelling een grotere afkeer van het geloof heeft gekregen, heeft hij dit alleen geuit in eigen kring. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich bij terugkeer anders zal gedragen.
Verweerder gelooft dat eiser heeft deelgenomen aan de demonstraties bij de Iraanse ambassade in Nederland, maar eiser had slechts een geringe rol. Daarnaast is het volgens verweerder niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van eisers deelname. Ook verder is de vrees voor problemen bij terugkeer in Iran niet aannemelijk.
Standpunt eiser
4. Eiser voert aan dat de (toegedichte) afvalligheid niet is getoetst in overeenstemming met de Werkinstructie 2022/3 (de WI). Uit de WI volgt dat iemand ook afvallig kan zijn als hij zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid. Verder zijn de drie elementen “proces”, “kennis” en “activiteiten” onvoldoende kenbaar in het bestreden besluit meegewogen en is onvoldoende doorgevraagd naar hoe eiser zich in Iran zal uiten. Daarnaast stelt eiser dat hij heeft te vrezen voor de Iraanse autoriteiten vanwege zijn deelname aan de demonstraties. Eiser is gezien door ambassadepersoneel dat de politie heeft ingeschakeld en hij is herkend met de camera’s die ter plaatse hangen. Ook is van belang dat eiser langer uit Iran is weggebleven dan de toegestane visumduur. Vanwege de problemen in zijn werk bij de ordedienst staat hij al in de negatieve aandacht van de autoriteiten. Eiser zal bij terugkeer worden ondervraagd. Hij zal zijn grote afkeer van de islam en het regime dan niet voor zich kunnen houden. Eiser verwijst hierbij naar het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 en een uitspraak van 20 februari 2020 van het Britse Upper Tribunal.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat verweerder de asielaanvraag in overeenstemming met de WI heeft beoordeeld. Eiser heeft zelf heeft verklaard dat hij nooit gelovig is geweest en dat hij en zijn ouders de islam niet praktiseren. De in de WI genoemde situatie dat iemand zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, waar eiser zich op beroept, doet zich daarom niet voor. Verweerder wijst terecht op eisers eigen verklaringen dat geen sprake is geweest van een verandering in eisers religieuze opvattingen. Eiser heeft zich alleen tijdelijk en zonder succes voorgedaan als praktiserend moslim om zijn baan bij de ordedienst te behouden. Gelet hierop bestond er geen aanleiding voor verweerder om voor de beoordeling van het gestelde asielmotief verder in te gaan op de elementen ‘proces en motieven’, ‘kennis’ en ‘activiteiten’ dan verweerder heeft gedaan. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat van afvalligheid geen sprake is.
6. Verweerder heeft evenmin aannemelijk hoeven vinden dat eiser in Iran afvalligheid wordt toegedicht. Uit eisers verklaringen volgt immers dat, ondanks dat eiser bij de ordedienst een “dik dossier” heeft opgebouwd vanwege het niet voldoen aan religieuze verplichtingen, hij geen (verdere) problemen heeft ondervonden van de zijde van de overheid vanwege het niet praktiseren van de islam. Ook stelt verweerder niet ten onrechte dat uit eisers verklaringen niet aannemelijk wordt dat hij zich na terugkeer in Iran anders zal gaan gedragen dan voorheen. Voor zover eiser stelt dat hij zijn kritiek op de islam en het Iraanse regime bij terugkeer niet langer voor zich zal kunnen houden, heeft verweerder dat ongerijmd kunnen vinden nu eiser ook zegt dat hij in Nederland wél terughoudend is bij het uiten van kritiek op het islamitisch geloof, omdat hij anders de openbare orde zou verstoren en omdat hij een rustig leven wil hebben. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser uitdrukkelijk is gevraagd om deze verschillende verklaringen toe te lichten. De rechtbank volgt niet dat op dit punt onvoldoende is doorgevraagd.
7. Verweerder heeft niet hoeven aannemen dat eiser door de Iraanse autoriteiten wordt gezocht, omdat hij in Nederland heeft deelgenomen aan drie demonstraties tegen het Iraanse regime. Eiser betwist niet dat hij een geringe rol had bij de demonstraties. Verweerder stelt dat mede gelet daarop niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van eisers deelname. De omstandigheid dat eiser oog in oog heeft gestaan met een medewerker van de Iraanse ambassade of dat bij de Iraanse ambassade beveiligingscamera’s hangen, maakt niet dat moet worden aangenomen dat eiser ook daadwerkelijk is geïdentificeerd. Verder stelt verweerder terecht dat de omstandigheid dat een vriend van eiser videobeelden van de demonstratie op social media heeft geplaatst nog niet aannemelijk maakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn. Tot slot volgt uit eisers verklaringen dat zijn familie in Iran tot op heden geen problemen heeft gehad. Ook dit wijst er vooralsnog niet op dat eiser in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat.
8. Uit het door eiser genoemde algemeen ambtsbericht over Iran volgt dat Iraniërs bij terugkeer uit het Westen niet systematisch worden ondervraagd. Dat het risico op ondervraging aanzienlijk is bij terugkeer op basis van een laissez-passer, zoals ook volgt uit de door eiser genoemde uitspraak van het Britse Upper Tribunal, is hier niet van belang omdat eiser in het bezit is van een geldig paspoort. Het is niet aannemelijk geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de asielaanvraag. Voor zover eiser met verwijzing naar het ambtsbericht stelt dat de Iraanse autoriteiten activiteiten van Iraanse burgers in het buitenland monitort, is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers activiteiten in Nederland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij langer buiten Iran heeft verbleven dan hem zou zijn toegestaan. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de duur van zijn verblijf buiten Iran te vrezen zou hebben voor vervolging of ernstige schade.
Conclusie
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 september 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
https://www.refworld.org/cases,GBR_UTIAC,5e53bc644.html
Algemeen ambtsbericht Iran september 2023, pagina 115.
Verslag gehoor aanmeldfase 20 maart 2023, p 4.