Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:14961
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,294 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7512 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam]
, opposant,
v-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geopposeerde,
(gemachtigde: mr. A.M. Luigjes).
Inleiding
Opposant heeft op 27 februari 2024 beroep ingediend vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 23 februari 2022. Bij uitspraak van 4 juni 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak op 16 juli 2024 verzet ingesteld. De rechtbank heeft dit verzet op zitting behandeld op 12 september 2024. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van opposant en gemachtigde van geopposeerde.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in deze zaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 juni 2024 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroepschrift te vroeg zou zijn ingediend, gelet op de termijn van de ingebrekestelling van 11 februari 2024. Het beroep voldeed daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid van de Awb.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittingsuitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend en dat het verzoek om proceskostenveroordeling als kennelijk ongegrond afgewezen kon worden. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Opposant geeft aan de ingebrekestelling op 11 februari 2024 per fax aan geopposeerde te hebben gestuurd. Uit de bij het verzetschrift gevoegde verzendbevestiging blijkt dat de ingebrekestelling op 11 februari 2024 om 22:16 uur door geopposeerde is ontvangen. Het is volgens opposant niet juist dat geopposeerde aangeeft de ingebrekestelling pas op 13 februari 2024 te hebben ontvangen. De rechtbank had hier dan ook niet vanuit mogen gaan. Opposant is van mening dat geopposeerde vanaf maandag 12 februari 2024 in gebreke was om op tijd een besluit te nemen en dat in ieder geval op dinsdag 27 februari 2024 twee weken waren verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door geopposeerde is ontvangen. Het beroep is daarom volgens opposant wel ontvankelijk.
4. Uit artikel 6:12, tweede lid sub b, van de Awb volgt dat een beroepschrift kan worden ingediend, zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Opposant heeft geopposeerde op 11 februari 2024 per fax in gebreke gesteld. Uit de bij het verzetschrift gevoegde verzendbevestiging blijkt dat geopposeerde de ingebrekestelling op diezelfde dag heeft ontvangen. De termijn van de ingebrekestelling liep dus van 12 februari 2024 tot en met 25 februari 2024. Het beroepschrift van 27 februari 2024 is dan ook tijdig en niet prematuur ingediend.
5. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
veroordeelt geopposeerde tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan opposant.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.