Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:14932
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
999 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33726
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Procesverloop
In het besluit van 27 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort totdat op zijn bezwaar is beslist.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. In dit geval heeft de minister geen uitstel van vertrek verleend aan verzoeker op grond van artikel 64 van de Vw. Verzoeker heeft daarom geen verblijfsrecht in Nederland en hij moet onmiddellijk naar Spanje vertrekken. Met de kennisgeving van 9 september 2024 is aan verzoeker medegedeeld dat zijn vlucht naar Madrid gepland staat op 25 september 2024. Verzoeker heeft bezwaar ingesteld tegen het besluit en daarbij betoogd dat hij voldoende documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij om medische redenen niet kan reizen. Omdat dit bezwaar geen schorsende werking heeft, heeft verzoeker middels het verzoek om voorlopige voorziening gevraagd de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten totdat op zijn bezwaar is beslist.
3. De minister heeft desgevraagd op 18 september 2024 schriftelijk gereageerd op dit verzoek. De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.
4. Nu de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook geen beletselen ziet om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 27 augustus 2024 worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet tot op het bezwaar is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister de proceskosten aan verzoeker vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Omdat verzoeker is vrijgesteld van het betalen van griffierecht hoeft de minister dit niet te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.