Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:14873
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,333 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34890
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
De minister heeft op 3 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is samen met de waarnemer voor zijn gemachtigde, mr. H.T. Gerbrandy, verschenen. Tevens is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop, dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 juni 2024 (in de zaak NL24.23824) volgt, dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek, dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring, slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 juni 2024.
2. Indien de rechtbank van oordeel is, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunt eiser
3. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel, dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Hiertoe overweegt de rechtbank, dat de minister, sinds het sluiten van het vorige onderzoek in de vorige procedure, drie keer heeft gerappelleerd, te weten op 10 juli 2024, 30 juli 2024 en 22 augustus 2024, drie vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd, te weten op 2 juli 2024, 1 augustus 2024 en 29 augustus 2024 en voor eiser op 23 augustus 2024 een vluchtaanvraag is verzonden. De rechtbank overweegt voorts, dat voor eiser een vlucht gepland staat op 28 september 2024.
4.1.
De rechtbank is van oordeel, dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld, dat zicht op uitzetting in het algemeen en voor ongedocumenteerde vreemdelingen naar Algerije niet meer ontbreekt. De rechtbank overweegt, dat de identiteit en nationaliteit van eiser door de Algerijnse autoriteiten zijn bevestigd en dat voor hem een vlucht is geboekt op 28 september 2024. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen en specifiek voor eiser niet ontbreekt.
4.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank overweegt, dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en dat uit de verklaringen van eiser blijkt, dat hij niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank overweegt tot slot, dat eiser verder ook geen redenen naar voren heeft gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 19 september 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.