Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:14809
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,907 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/669502 / JE RK 24-1302
Datum uitspraak: 15 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen mee bij haar beslissing.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2024. Daarbij waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader van [de minderjarige] (de heer [de vader] ) is overleden.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft op een ‘hybride groep’ van [instelling] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 februari 2025, een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 22 augustus 2024 en een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 22 mei 2024.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling in aanvulling op het schriftelijke verzoek het volgende naar voren gebracht. Voor zover de jeugdbeschermer weet heeft [de minderjarige] een pasje waarmee ze de deur van de groep kan openen. De gezinscoach en de individuele coach voor [de minderjarige] zijn sinds kort gestart. [de minderjarige] gaat nu van donderdag tot zondag naar haar moeder met begeleiding van de gezinscoach. Vanaf september gaat [de minderjarige] ook weer naar school. Iedere maand wordt geëvalueerd hoe het met [de minderjarige] gaat. De jeugdbeschermer wil de plek op de wachtlijst bij Jeugdformaat (open groep) nog achter de hand houden voor [de minderjarige] , voor het geval haar situatie toch verslechtert. Het gaat op dit moment goed met [de minderjarige] , maar in juni en juli 2024 zijn er ook nog momenten geweest dat zij zich niet aan de afspraken hield en weer wegliep en bij een vriendin was die een slechte invloed op haar heeft.
Beoordeling
4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
4.2.
[de minderjarige] woont al een langere periode niet thuis. Ze heeft veel duidelijkheid nodig en soms moeite zich aan de afspraken te houden. [de minderjarige] liep in het verleden weg en bracht zichzelf dan in gevaarlijke situaties, bijvoorbeeld door contact te hebben met (oudere) jongens. Ook recent nog is [de minderjarige] weggelopen. Sinds kort voor de zitting zijn er twee coaches betrokken, één voor het gezin en één voor [de minderjarige] zelf, die met moeder en dochter werken aan een thuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat het voorlopig goed is voor haar ontwikkeling als [de minderjarige] deels op de groep blijft wonen en stapsgewijs weer vaker thuis is en zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de verzochte duur. De verwachting is dat deze periode (tot februari 2025) in ieder geval nog nodig zal zijn om toe te werken naar een volledige terugkeer van [de minderjarige] naar haar moeder.
4.3.
De kinderrechter heeft gelezen en gehoord dat [de minderjarige] verblijft op een zogenoemde ‘hybride groep’ van [instelling] . [de minderjarige] heeft zelf aan de kinderrechter laten weten dat de deur op slot is en dat zij altijd aan een begeleider moet vragen of de deur voor haar open mag. Volgens de jeugdbeschermer zou [de minderjarige] een pasje hebben waarmee ze de deur kan openen. De kinderrechter gaat ervan uit dat [de minderjarige] de waarheid heeft verteld waardoor [de minderjarige] dus feitelijk haar vrijheid wordt ontnomen. Met de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing in een (open) accommodatie van een jeugdhulpaanbieder kunnen naar het oordeel van de kinderrechter niet dergelijke vrijheidsbeperkende maatregelen worden genomen. Daarvoor zou een gesloten machtiging noodzakelijk zijn, zoals ook eerder (in voorwaardelijke vorm) het geval was bij [de minderjarige] . De kinderrechter begrijpt echter ook dat een overplaatsing van [de minderjarige] niet wenselijk is, nu zij het verblijf op de groep ondersteunt en het traject van thuisplaatsing is ingezet. De kinderrechter wil benadrukken dat de verlenging van de maatregel, zoals die door de gecertificeerde instelling is verzocht, géén bevoegdheid verleent om vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 februari 2025;
5.2.
bepaalt dat met deze machtiging geen vrijheidsbeperkende maatregelen mogen worden genomen;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2024 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.T. Verlinde als griffier, en op schrift gesteld op 23 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.