Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:14783
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14719 en NL24.14720
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1]
en
[eiseres]
, v-nummer: [nummer 2],
samen: eisers
(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en
de minister van Buitenlandse Zaken
(gemachtigde: mr. S. Deniz).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag van een visum voor kort verblijf met verblijfsdoel familiebezoek.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 maart 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. Eisers willen hun dochter (referente) bezoeken. Referente heeft in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eisers verblijven in Turkije.
3. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een visum kort verblijf. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
5. Het beroep van eisers is gegrond. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen en de afwijzing van de visumaanvraag niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht de minister afzien van een hoorzitting?
6. Eisers voeren aan dat de minister niet heeft mogen afzien van een hoorzitting. Daarom heeft het besluit een zorgvuldigheidsgebrek. In het bestreden besluit wordt pas voor het eerst het standpunt van de minister verwoord dat niet vast is komen te staan dat eisers – in tegenstelling tot hun kinderen – geen problemen hebben met de Turkse overheid. Eisers hadden de gelegenheid moeten krijgen om dit in een hoorzitting toe te lichten. Ook hadden eisers nader kunnen toelichten hoe de zorg voor en betrokkenheid bij hun dochter die in Ankara woont er in de praktijk uitziet. Ook over de sociale en economische binding met Turkije hadden eisers tijdens een hoorzitting hun betoog kunnen aanvullen en verduidelijken. Eisers hebben stukken overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat zij inkomen genereren uit hun veehouderij en landbouw. Omdat de minister in bezwaar heeft tegengeworpen dat eisers niet hebben aangetoond dat zij een bestendig en substantieel inkomen hebben, zou het op de weg van de minister moeten liggen om aan eisers tijdens een hoorzitting te vragen of zij de stukken kunnen duiden en duidelijkheid kunnen verschaffen. Te meer nu uit de stukken blijkt dat eisers een boerderij hebben en zij hieraan gerelateerde inkomsten ontvangen. Ook de sociale binding had tijdens een hoorzitting beter naar voren kunnen worden gebracht.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij heeft mogen afzien van het houden van een hoorzitting. Het bezwaar van eisers was namelijk kennelijk ongegrond. Op grond van hetgeen is aangevoerd in bezwaar over het reisdoel en de banden met Turkije, was meteen duidelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst zou leiden. Een hoorzitting had niets veranderd aan de twijfel aan het reisdoel en de binding van eisers met Turkije.
6.2.
Het betoog van eisers slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onterecht heeft afgezien van het horen in bezwaar. Het uitgangspunt is dat een belanghebbende wordt gehoord in de bezwaarfase. Of een aanvraag voor een visum met als verblijfsdoel familiebezoek moet worden toegewezen, is een beoordeling die sterk afhangt van de individuele omstandigheden van de betrokkenen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat een hoorzitting in een dergelijk geval gewenst is. De rechtbank volgt het betoog van eisers dat de minister hen de gelegenheid had moeten bieden om duidelijkheid te verschaffen over de problemen van eisers met de Turkse autoriteiten waarvan de minister stelt dat zij die hebben. Er zijn meerdere aanwijzingen die maken dat aan deze stelling getwijfeld kan worden. Zo verklaart de zoon van eisers in zijn aanmeldgehoor enkel over de problemen die zijn zus in Nederland en zijn broer in Duitsland met de Turkse autoriteiten zouden hebben, hebben eisers nog kinderen in Turkije wonen die geen problemen met de Turkse autoriteiten lijken te hebben en krijgen eisers subsidie van de Turkse staat voor hun gewassen. Het betoog van eisers dat de minister niet op voorhand heeft kunnen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, wordt onderstreept door het feit dat de minister het standpunt over de afwijzingsgrond ‘het doel en de omstandigheden van het verblijf zijn onvoldoende aangetoond’ op de zitting heeft laten vallen. Daarnaast spreekt de minister over onduidelijkheden omtrent de zorg die eiseres zou hebben voor haar dochter in Ankara. Een hoorzitting is de uitgelezen kans om onduidelijkheden uit te vragen. Bovendien hebben eisers pas in bezwaar stukken overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat zij een boerderij bezitten en daardoor een vast inkomen hebben. De rechtbank is van oordeel dat dit een duidelijke aanwijzing is dat er niet van een hoorzitting kan worden afgezien. Daarnaast biedt de hoorzitting eisers de gelegenheid om nadere bewijsstukken in te dienen om hun bezwaar te ondersteunen. Op basis van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het bezwaar van eisers onder geen van de situaties valt waarin de minister volgens zijn eigen beleid van het horen af kan zien.
Heeft de minister terecht beoordeeld dat het verblijfsdoel onvoldoende is aangetoond?
7. De minister heeft op de zitting deze afwijzingsgrond laten vallen. Dit leidt tot een vernietiging van het bestreden besluit omdat het besluit op dit punt in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond hoeft verder niet besproken te worden.
Mocht de minister twijfelen aan een tijdige terugkeer naar Turkije?
8. Eisers voeren aan dat er voor de minister onvoldoende reden was om te twijfelen aan een tijdige terugkeer naar Turkije. Hun betoog ziet zowel op de sociale binding als de economische binding met hun land van herkomst. Hieronder wordt er afzonderlijk ingegaan op de twee elementen.
Sociale binding
8.1.
Eisers voeren aan dat zij een sterke sociale binding met Turkije hebben waardoor van hen verwacht moet worden dat zij tijdig zullen terugkeren naar Turkije. Eisers hebben nog twee kinderen en vijf kleinkinderen in Turkije op reisafstand wonen. Bovendien hebben beiden nog broers en zussen in Turkije wonen. Daarbij komt nog dat eisers een boerderij hebben in Turkije. Dit zorgt niet enkel voor een economische binding met het land, maar ook een sociale omdat eisers grote emotionele waarde hechten aan de dieren en het land. Hoewel de minister terecht stelt dat eiseres haar dochter niet in Ankara verzorgt, is de zorg voor haar en haar kinderen weldegelijk van belang. Eiseres reist eenmaal per kwartaal naar haar dochter in Ankara en haar dochter reist drie á viermaal per jaar in de vakanties naar haar ouders.
8.1.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eisers samen naar Nederland willen reizen betekent dat zij geen achterblijvend gezin hebben waar zij verantwoordelijkheid voor dragen. Het feit dat eisers samen 7 broers en zussen in Turkije achterlaten, betekent niet dat zonder meer kan worden aangenomen dat eisers een dergelijke sociale binding met Turkije hebben dat er niet aan een tijdige terugkeer getwijfeld hoeft te worden. Eisers hebben de zorg die eiseres geeft aan haar dochter in Ankara niet onderbouwd. Er is niet gebleken dat eisers de zorg dragen voor andere directe familieleden of die ondersteunen. Ook zijn er geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers zouden dwingen tijdig naar Turkije terug te keren.
8.1.2.
Het betoog slaagt. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij mocht twijfelen aan een tijdige terugkeer vanwege een geringe sociale binding met het land van herkomst. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft beoordeeld dat er sprake is van een geringe sociale binding met Turkije. De leeftijd van eisers en het feit dat zij altijd in Turkije hebben gewoond, maakt dat zij een sterke sociale binding met Turkije hebben. Eisers zouden vertrekken uit hun land waar zij altijd hebben gewoond naar een land waarvan zij de cultuur en gebruiken niet kennen en waarschijnlijk de taal nooit meer zouden leren. Bovendien laten eisers niet alleen kinderen, kleinkinderen, broers en zussen achter in Turkije, maar zij zouden ook hun boerderij moeten verlaten. De minister heeft niet duidelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheden – in hun samenhang bezien – niet maken dat eisers een sterke sociale binding met Turkije hebben.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de afwijzing van hun visumaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op alsnog een hoorzitting te houden en met inachtneming van deze uitspraak en hetgeen op de hoorzitting naar voren wordt gebracht, binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eisers gemaakte proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de minister opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eisers;
bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 184,- aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2021:2564, r.o. 4.4.
Idem, r.o. 5.2.
Idem, r.o. 4.2.
Idem, r.o. 4.2 en 5.2.
WI 2022/20, p. 1-3.