Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:14451
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
895 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29303
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met vooraf bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In geschil is de vraag of ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan. De beroepsgronden van eiser maken dit niet anders. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij problemen heeft ervaren. Als er zich problemen hebben voorgedaan, dan lag op zijn weg om te klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is.
3. Eiser voert aan dat hij medische problemen heeft. Hij heeft een brief van zijn psychiater in Duitsland overgelegd. Daaruit blijkt dat er wel aandacht is voor de medische problemen van eiser. Hij heeft niet onderbouwd waarom hij in Duitsland niet de behandeling kan krijgen die hij nodig heeft. In het algemeen is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen of systeemfouten waardoor in deze zaak niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Aan het behoordelen van het verbod op indirect refoulement komt de rechtbank niet toe.
4. Eiser heeft aangevoerd dat niet is gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Dat volgt de rechtbank niet. Op pagina 5 van het bestreden besluit is op de situatie van eiser ingegaan en is aansluitend in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening overwogen dat zijn situatie niet voldoende bijzonder is waardoor overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Verordening (EU) nr. 604/2013.