Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:14396
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
3,080 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/12914
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer [nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker vanwege het besluit van het COa van 18 juli 2024 om hem over te plaatsen naar een opvanglocatie voor meerderjarige vreemdelingen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij gedurende deze beroepsprocedure wordt aangemerkt als minderjarige en door het COa wordt teruggeplaatst naar een opvanglocatie voor minderjarigen.
1.2.
De voorzieningenrechter doet vanwege onverwijlde spoed uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Feiten
3. Verzoeker heeft op 30 april 2024 in Nederland een asielaanvraag gedaan. Bij zijn asielaanvraag heeft verzoeker verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2009, en dus dat hij op dat moment minderjarig was. Nadat verzoeker is geschouwd door zowel de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel van de politie als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is twijfel ontstaan over de gestelde minderjarigheid van verzoeker. De minister van Asiel en Migratie heeft daarom een onderzoek opgestart naar de leeftijd van verzoeker. Uit dit onderzoek kwam op 6 juni 2024 naar voren dat eiser door Griekenland in het Eurodac-systeem is geregistreerd met een geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004. De minister heeft daarop de leeftijdsregistratie van verzoeker op 7 juni 2024 aangepast naar [geboortedatum 2] 2004 en gaat sindsdien uit van de meerderjarigheid van verzoeker. Naar aanleiding van de aanpassing van de leeftijdsregistratie heeft het COa op 14 juni 2024 het voornemen uitgebracht om verzoeker over te plaatsen naar een opvanglocatie voor meerderjarige vreemdelingen. Verzoeker heeft op 28 juni 2024 door middel van een zienswijze op dit voornemen gereageerd.
Spoedeisend belang
4. Verzoeker is inmiddels overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarige vreemdelingen. Hij stelt echter minderjarig te zijn en stelt dat de overplaatsing schadelijk is voor zijn welzijn en ontwikkeling. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
Wat is de inhoud van het verzoek om voorlopige voorziening?
5. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij gedurende de beroepsprocedure wordt aangemerkt als minderjarige en door het COa wordt teruggeplaatst naar een opvanglocatie voor minderjarigen. Verzoeker wijst ter onderbouwing van zijn verzoek op de beroepsgronden. Hieruit volgt, samengevat, het volgende. Het COa is volgens verzoeker gehouden uit te gaan van zijn minderjarigheid zolang in de asielprocedure nog geen beslissing is genomen over zijn leeftijd en hierover twijfel bestaat, ook al komt de IND tot de conclusie dat verzoeker meerderjarig is. Dat is hier het geval: de IND kwam eerst tot de conclusie dat verzoeker evident minderjarig was, en gaat nu uit van de in Griekenland geregistreerde geboortedatum, terwijl aan deze Griekse registratie geen documenten of leeftijdsonderzoek ten grondslag ligt en verzoeker in Nederland over een origineel individueel uittreksel beschikt dat ter onderzoek aan Bureau Documenten kan worden aangeboden. Omdat de IND hiermee voorbijgaat aan de indicatieve waarde van het uittreksel en ten onrechte geen medisch leeftijdsonderzoek heeft aangeboden, is deze leeftijdsvaststelling onzorgvuldig. Het knelt dat het COa uitgaat van de leeftijdsregistratie door de IND, omdat de IND de leeftijd van verzoeker pas bij het asielbesluit daadwerkelijk vaststelt en daar tot die tijd geen rechtsmiddel tegen kan worden aangewend. Als dan later blijkt dat verzoeker tóch minderjarig was, heeft hij al die tijd in een verkeerde opvanglocatie verbleven. Alleen in een opvanglocatie voor minderjarigen krijgt verzoeker de zorg die past bij zijn minderjarigheid. Verzoeker krijgt daar namelijk begeleiding van pedagogisch geschoolde medewerkers en gedragswetenschappers, die (onder meer) de zorg op zich nemen die anders de ouders van verzoekers zouden hebben verleend. Daarnaast krijgt verzoeker in een opvanglocatie voor minderjarige vreemdelingen de mogelijkheid om naar school te gaan. Verzoeker heeft die begeleiding op dit moment niet, omdat in de huidige opvanglocatie van hem een zekere zelfredzaamheid wordt verwacht. Tot slot heeft het zienswijzegesprek vóór het nemen van het besluit tot overplaatsing plaatsgevonden zonder bijzijn van de voogd van verzoeker, zodat het COa ook op dat vlak onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker.
Wat is het standpunt van het COa?
6. Het COa stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van de meerderjarigheid van verzoeker. Naar aanleiding van de leeftijdsvaststelling door de IND heeft het COa de interne memo’s van de IND opgevraagd. Hieruit bleek dat verzoeker zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke en identificerende documenten had aangetoond, ook niet met het feit dat verzoeker over uittreksels beschikt. Het COa stelt daarmee te hebben voldaan aan haar verplichting om te onderzoeken wat de opvangbehoeften van verzoeker zijn en stelt dat het verder niet aan hem is om te toetsen of het leeftijdsonderzoek van de IND deugdelijk is. Verder stelt het COa dat het uit het arrest Darboe & Camara niet volgt dat de gestelde minderjarigheid van verzoeker moet worden gevolgd totdat de meerderjarigheid in rechte vaststaat. Daar komt bij dat verzoeker tot het moment van de wijziging van de leeftijdsregistratie de waarborgen heeft gekregen die minderjarigen horen te krijgen, waaronder plaatsing in een opvanglocatie voor minderjarigen en begeleiding van een voogd van Nidos. Dat verzoeker niet meer naar school mag en niet meer valt onder de begeleiding van Nidos, is een beslissing van de betreffende instanties en geen beslissing van het COa. Voor zover verzoeker op de opvanglocatie voor meerderjarigen extra begeleiding nodig heeft, kan het COa die ook daar bieden. Bovendien bestaat de mogelijkheid tot plaatsing in de Intensief Begeleidende Opvanglocatie in Schalkhaar. Het COa wijst er bovendien op dat het, gelet op de opvangcrisis, van belang is dat de beperkte opvangplekken die er voor minderjarige vreemdelingen zijn ook alleen worden gebruikt door vreemdelingen die daadwerkelijk minderjarig zijn.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het beroep verschillende rechtsvragen aan de orde zijn. Deze rechtsvragen gaan onder meer over de vraag of het COa het besluit tot overplaatsing zorgvuldig heeft voorbereid en of en, zo ja, hoe het COa zelf een standpunt heeft gevormd over de specifieke opvangbehoeften van verzoeker. Verder speelt de vraag of het COa uit mocht gaan van de leeftijdsvaststelling door de IND en, in het verlengde daarvan, of deze leeftijdsvaststelling mocht worden gebaseerd op de Griekse registratie van verzoeker in het Eurodac-systeem. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aan de minister van Asiel en Migratie vragen gesteld over de leeftijdsregistratie in andere lidstaten van de Europese Unie en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank hebben afwijkend geoordeeld over de vraag of een leeftijdsschouw van een vreemdeling een geschikt instrument is om de leeftijd van een gestelde minderjarige vreemdeling te onderzoeken. In deze zittingsplaats zal die vraag binnenkort door de meervoudig kamer worden behandeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker de reikwijdte van het verzoek te buiten en zullen deze vragen beantwoord moeten worden door de rechtbank. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een afweging van de belangen van verzoeker en het COa in het kader van de verzochte voorziening.
7.1.
Deze belangenafweging valt uit in het voordeel van verzoeker. Het verzoek strekt er slechts toe dat verzoeker de behandeling van zijn beroep in een opvanglocatie voor minderjarigen mag afwachten en dat het COa hem gedurende die tijd als minderjarige aanmerkt. Verzoeker wijst er in dat verband terecht op dat hij in een opvanglocatie voor minderjarigen opvang en voorzieningen krijgt die worden afgestemd op de minderjarige leeftijd, en dat die verschilt van de opvang die hij nu krijgt. Als verzoeker (daadwerkelijk) minderjarig is, heeft hij een groot belang bij het krijgen van die specifieke voorzieningen voor minderjarigen.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat het COa verzoeker moet terugplaatsen naar een opvanglocatie voor minderjarige vreemdelingen, waar hij de behandeling van het beroepschrift mag afwachten. Dat betekent ook dat het COa verzoeker als minderjarig moet behandelen totdat de beroepsprocedure is geëindigd.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het COa de proceskosten van verzoeker vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 875, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat het COa verzoeker binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak moet terugplaatsen naar een opvanglocatie voor minderjarige vreemdelingen, waar hij de behandeling van zijn beroepschrift mag afwachten, en dat het COa verzoeker gedurende de beroepsprocedure als minderjarige behandelt;
veroordeelt het COa in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2024
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit beroep is bij de rechtbank aanhangig onder zaaknummer AWB 24/12913.
Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.
Verzoeker wijst op EHRM 21 juli 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717 (Darboe & Camara/Italië), onder 153-154, en daarnaast op ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, r.o. 6.3 en Rb. Den Haag (zp Roermond) (vzr.) 16 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1821. Verzoeker wijst daarnaast op artikel 25, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.
Verzoeker wijst in dit verband op ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654 en Rb. Den Haag (zp Groningen) 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13419.
Het COa wijst in dit verband op Rb. Den Haag (zp Middelburg) 8 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10617.
Het COa wijst ter onderbouwing op Rb. Den Haag (zp Middelburg) 1 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1689.
Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag (zp Arnhem) 3 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5117, r.o. 4.1.