Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:14308
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,495 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.30279
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de Minister van Migratie en Asiel, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 7 augustus 2024 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Kroatië.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B. Ullah, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig was.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2002] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring
3. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat er geen grond is voor de inbewaringstelling. Eiser voert daartoe aan dat hij zich nooit heeft onttrokken aan het toezicht en altijd aanwezig is geweest op de opvanglocatie. Eiser zegt ook altijd te hebben meegewerkt aan zijn vertrek. Eiser heeft één vertrekgesprek gemist omdat hij ziek was. Dit zou hij hebben doorgegeven aan zijn contactpersoon bij het COA. Volgens eiser lijkt het er op dat het contact tussen het COA en DT&V niet goed is gegaan en niet goed is doorgegeven dat hij niet zou komen op het vertrekgesprek.
4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Uit de maatregel blijkt dat eiser twee keer is uitgenodigd voor een vertrekgesprek, waarbij hij eenmaal door de politie is gevorderd om in persoon te verschijnen. Beide keren is eiser zonder opgaaf van redenen niet verschenen. De vertegenwoordiger van de minister heeft op de zitting verder verklaard dat eiser bekend was met het feit dat hij zelf direct contact kon opnemen met het DT&V. Eiser zegt dat hij op het de dag van het vertrekgesprek ziek was, maar heeft dit niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Gronden van de maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser heeft de zware en lichte gronden van de maatregel niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 augustus 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.