Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:1416
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,761 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2550
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: K.J. Diender).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 19 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 december 2023 (in de zaak NL23.38540) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 22 december 2023 rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 december 2023.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Eiser stelt dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Eiser voert aan dat niet voortvarend wordt gehandeld aan de uitzetting door de staatssecretaris. Hiertoe voert eiser aan dat hij nog steeds niet in persoon is gepresenteerd, terwijl al op 21 december 2023 duidelijk was dat voor het verkrijgen van een laissez passer (lp) van de Marokkaanse autoriteiten een presentatie in persoon vereist is. Eiser stelt voorts dat er een belangenafweging moet worden gemaakt die in zijn voordeel moet uitvallen. Hiertoe voert eiser aan dat de detentie hem zwaar valt en hij al ruim vijf maanden gedetineerd is. Eiser stelt daarnaast dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Hiertoe voert eiser aan dat hij in afwachting van een presentatie aan een meldplicht kan voldoen en bij zijn zus kan wonen.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat er in het geval van eiser zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko bestaat. De rechtbank overweegt dat blijkens de voortgangsrapportage de Directe Internationale Aangelegenheden (DIA) op 21 december 2023 heeft aangegeven dat er een gesprek wordt ingepland tussen de Marokkaanse autoriteiten en eiser en dat de staatssecretaris op 27 december 2023 en 11 januari 2024 DIA per mail heeft verzocht of er een gespreksdatum bekend is. Uit de voortgangsrapportage en het ter zitting verhandelde blijkt verder dat de staatssecretaris op 21 december 2023, 11 januari 2024 en 1 februari 2024 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en dat er sinds de sluiting van het vorige onderzoek op 2 januari 2024, op 16 januari 2024 en op 30 januari 2024 gerappelleerd is op de lp-aanvraag. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Marokko meewerken aan het verstrekken van reisdocumenten en dat er nationaliteitsbevestigingen plaatsvinden. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 juni 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:8706). Dat de Marokkaanse autoriteiten, ondanks de rappels, nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van eiser ontbreekt. De aanvraag om een lp loopt nog. Hierdoor bestaat nog steeds de mogelijkheid dat de Marokkaanse autoriteiten aan eiser een lp zullen verstrekken. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanknopingspunten dat op dit moment het zicht op uitzetting naar Marokko in het geval van eiser ontbreekt. De stelling van eiser dat de staatssecretaris invloed dient uit te oefenen op de Marokkaanse autoriteiten volgt de rechtbank niet, nu de staatssecretaris ten aanzien van de afgifte van een lp en het inplannen van de presentatie afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser geen medewerking zullen verlenen.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat een belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen of dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit, waardoor de belangenafweging vooralsnog in het voordeel van de staatssecretaris uitvalt. De rechtbank stelt vast dat het opleggen van een lichter middel is getoetst in het eerste beroep van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser geen nieuwe omstandigheden naar voren heeft gebracht die zouden moeten leiden tot een ander oordeel. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13570, onder lichter middel.