Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:14147
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,128 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.30442
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster], V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende een beroep tegen een besluit van de minister om haar geen verblijf als bedoeld in artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) toe te kennen.
1.1.
Verzoekster heeft op 29 april 2024 aangifte gedaan van mensenhandel. Deze aangifte is aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
1.2.
De minister heeft met het besluit van 6 juni 2024 deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Verzoekster heeft een verzoek gedaan om wegens betalingsonmacht te worden vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Zij heeft op 7 augustus 2024 hiervoor een formulier ingediend, waarop niet is aangekruist of zij al dan niet inkomen geniet, en evenmin of zij al dan niet over vermogen beschikt. Omdat aan de hand van dit formulier de betalingsonmacht niet kan worden vastgesteld wordt het verzoek afgewezen; het verschuldigde griffierecht zal worden afgeschreven van de rekening-courant van haar gemachtigde.
1.5.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Dit kan op grond van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.
3. Verzoekster heeft in haar verzoek gesteld dat zij op 12 augustus 2024 op grond van de Dublinverordening wordt overgedragen naar Frankrijk.
4. In een bericht van 6 augustus 2024 heeft de minister uitgelegd dat er geen sprake is van een gedwongen overdracht. Ook als verzoekster niet meewerkt aan de geplande overdracht op 12 augustus 2024 is er geen sterke arm die verzoekster op dat moment zal dwingen om te vertrekken. Volgens de minister heeft verzoekster het dan ook zelf in de hand of haar overdacht op 12 augustus 2024 daadwerkelijk plaatsvindt.
5. Verzoekster heeft na dit bericht van de minister de gronden van het verzoek ingediend. In deze gronden wordt het bovengenoemde standpunt van de minister over de spoedeisendheid van het verzoek niet bestreden.
6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister dat als verzoekster op 12 augustus 2024 niet meewerkt aan de overdracht zij niet gedwongen wordt uitgezet naar Frankrijk. Verzoekster kan dus zelf bepalen of zij op 12 augustus 2024 meewerkt aan de overdracht en Nederland op deze dag verlaat. Om die reden is er nu geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gelet op het voorgaande af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 augustus 2024
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.