Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:14086
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,658 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20938
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], referente,
[naam] V-nummer: [nummer] eiser,
(gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Deze aanvraag is door referente ingediend namens eiser.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 april 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de beslissing op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is gericht tegen het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar en ongegrond voor zover het beroep is gericht tegen het besluit om geen bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De aanvraag van eiser is bij besluit van 23 december 2021 afgewezen. In dat besluit is geoordeeld dat referente de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen haar en de gestelde echtgenoot niet aannemelijk heeft gemaakt.
6. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Ook heeft hij een beroep ingediend in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. In de uitspraak van 22 januari 2024 (NL23.32200) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de minister opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken en bepaald dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
7.1
De minister heeft bij besluit van 17 april 2024 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser in het bezwaarschrift geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Ook heeft de minister aangegeven dat referente op 27 maart 2024 in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het bezwaar toe te lichten tijdens een hoorzitting. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde laten weten dat referente afziet van deze hoorzitting, omdat referente hier geen belang meer bij heeft. Zij kan geen contact krijgen met haar echtgenoot en vermoedt dat hij een andere partner heeft. Hieruit kan volgens de minister worden opgemaakt dat eiser geen belang meer heeft bij de aanvraag en er kennelijk geen reden meer bestaat voor het verlenen van een mvv. Er is dan ook geen reden om terug te komen op dat wat is overwogen in het primaire besluit, aldus het bestreden besluit.
7.2
Verder heeft de minister in het besluit aangegeven dat hij op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
7.3
Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de minister aangegeven dat de overweging over de rechterlijke dwangsom geen besluit is in de zin van de Awb. Daarom staat hiertegen geen bezwaar open en ook geen beroep bij de bestuursrechter.
8. Referente heeft beroep ingediend. In de gronden van beroep van 13 juni 2024 bestrijdt referente het standpunt van de minister dat zij de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen haar en de gestelde echtgenoot niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast is aan de minister telefonisch medegedeeld dat referente, omdat zij vermoedde dat haar echtgenoot in het geheim een relatie had met een andere vrouw en op het laatst niets meer van zich liet horen, voornemens is een echtscheidingsprocedure in gang te zetten. Ook dit vormt een aanwijzing voor het daadwerkelijk bestaande huwelijk met de man met de door hemzelf en door referente gestelde identiteit. Ten onrechte is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Referente wilde niet meer naar de hoorzitting gaan omdat ze geen contact meer kon krijgen met haar echtgenoot. Uit het voorgaande vloeit voort dat de minister ten onrechte aan referente niet de bestuurlijke dwangsom heeft toegekend, aldus referente.
9. In het verweerschrift van 26 juni 2024 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in de beslissing op bezwaar eigenlijk de conclusie diende te worden getrokken dat het procesbelang tijdens de bezwaarfase is komen te vervallen. Bij het ontbreken van een procesbelang diende het bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard. De minister verzoekt de rechtbank dan ook om het beroep met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien door het bestreden besluit te vernietigen en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
10. In de aanvullende gronden van beroep van 29 juni 2024 heeft referente de rechtbank verzocht – ook indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het bezwaar (deels) niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard – het beroep gegrond te verklaren en daarbij een oordeel te geven over het verschuldigd zijn van de rechterlijke dwangsom en de bestuurlijke dwangsom. Feit blijft immers dat de minister de beslistermijn van 6 maanden ver heeft overschreden. Referente wijst op de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2024 (NL23.32200). Daarnaast leidt de uitkomst van de bezwaarprocedure tot een onevenredig nadeel voor referente nu zij lange tijd heeft gehoopt dat haar echtgenoot zich met haar in Nederland zou herenigen. Het gaat dan niet aan om haar voor te houden dat zij bij de burgerlijke rechter een vordering zou moeten indienen tot het verkrijgen van de rechterlijke en bestuurlijke dwangsom.
11. De rechtbank oordeelt als volgt. Het beroep is ingediend op naam van referente. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat - gelet op de omstandigheden dat zowel het bezwaarschrift als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar is ingediend namens eiser, bedoeld is dat ook dit beroep namens eiser is ingediend. De gemachtigde treedt in deze zaak op namens eiser. Omdat de minister ter zitting heeft aangegeven dat ook de minister er vanuit is gegaan dat het beroep is ingediend door eiser, ziet de rechtbank het beroep dan ook als ingediend namens eiser en niet namens referente.
12. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep, voor zover het beroep is gericht tegen het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank dat namens eiser ter zitting nog eens is gewezen op dat wat voor de hoorzitting ook aan de minister is doorgegeven. Volgens eiser is er contact geweest met de families en is uitgesloten dat eiser en referente nog bij elkaar komen. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover het is gericht tegen het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar. Dat betekent dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is en dat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard, in rechte komt vast te staan.
13. Een en ander betekent ook dat de rechtbank niet toekomt aan het verzoek van de minister om het beroep met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien door het bestreden besluit te vernietigen en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
14. Het voorgaande betekent tot slot ook dat het besluit van de minister, zoals weergegeven in overweging 7.2, in rechte is komen vast te staan. Daarmee is de minister op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de Awb geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit om geen bestuurlijke dwangsom toe te kennen is aldus ongegrond.
15. Voor zover eiser ter zitting de rechtbank heeft gevraagd – ten overvloede - iets te zeggen over (de hoogte van) de rechterlijke dwangsom zoals vastgesteld in eerder genoemde uitspraak (NL23.32200), is de rechtbank van oordeel dat zij niet bevoegd is daarover te oordelen. Bij eventuele geschillen over de rechterlijke dwangsom is de civiele rechter bevoegd.
Conclusie
16. Het beroep voor zover het is gericht tegen het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang bij eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit om geen bestuurlijke dwangsom toe te kennen is ongegrond.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover het beroep is gericht tegen het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit om geen bestuurlijke dwangsom toe te kennen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.