Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:14058
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,490 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32747 en NL24.32862
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2024 (het bestreden besluit 1, zaaknr. NL24.32862) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2, zaaknr. NL24.32747) opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep tegen besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
De bestreden besluiten 1 en 2
Eiser voert aan dat zowel de maatregel van bewaring als het terugkeerbesluit onrechtmatig zijn, omdat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of eiser een verblijfsrecht in Spanje heeft. Daarbij heeft eiser een aantal documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij in Spanje rechtmatig verblijf heeft.
2. De rechtbank volgt dit niet. Omdat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is toegepast, is het uitgangspunt dat het verblijf van eiser niet rechtmatig is. Verweerder heeft onderzoek gedaan in Eurodac en EU-Vis, waarbij een kopie van eisers paspoort is meegestuurd. Daaruit is echter niet gebleken dat eiser een verblijfsrecht in Spanje heeft. De door eiser overgelegde stukken zijn ook niet voldoende om de conclusie, dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, te weerleggen. Uit een inschrijving bij de gemeente kan immers niet worden geconcludeerd dat eiser een verblijfsrecht in Spanje heeft. In dit licht gezien kan de beroepsgrond, dat verweerder nader onderzoek naar het verblijfsrecht had moeten verrichten, niet slagen.
Bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring)
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden 3a, 3b, 3d en 3i zijn feitelijk juist en reeds voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, eerste en vierde lid, van het Vb.
Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.