Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:13999
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,395 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32363
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1998.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat een aantal gesprekken met hem in de Engelse taal zijn gevoerd, terwijl eiser niet in het Engels kan communiceren. Voorts betwist eiser de zware grond 3a. Volgens eiser bestaat geen significant risico op onttrekking, omdat hij heeft aangegeven dat hij wil terugkeren naar Spanje. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 29 december 2017. Volgens eiser moet het gedrag van de vreemdeling worden betrokken bij de vraag of een significant risico op onttrekking bestaat. Daarnaast is het voor meeste vreemdelingen bijna onmogelijk om via een legale route Europa binnen te komen, waardoor vaak voor illegale routes wordt gekozen. Eiser heeft daarbij de rechtbank gevraagd om prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie.
4. Wat eiser aanvoert, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3l. Nu deze gronden zich feitelijk hebben voortgedaan, konden deze gronden aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de overige gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht. De zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Dat eiser de Engelse taal niet spreekt is niet onderbouwd. Bovendien blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 21 augustus 2024 dat het gesprek zonder tussenkomst van een tolk in de Engelse taal plaatsvond en dat eiser deze taal in voldoende mate spreekt en begrijpt om het gesprek te kunnen voeren. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toets
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 augustus 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2017:3621.
Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.