Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:13942
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
900 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.22571
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes), en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Inleiding
1. In het besluit van 1 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie- en gezinsleven’ afgewezen.
2. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
3. Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
Beoordeling
4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.
5. De minister heeft in een brief van 31 juli 2024 laten weten dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
6. Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien totdat op haar bezwaar is beslist, wijst de voorzieningenrechter de
voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting van verzoekster tot de beslissing op het bezwaar bekend is gemaakt.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 875,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoekster te vergoeden;
veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
Z.P. de Wilde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 augustus 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.