Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:13928
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,103 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.21504 V (verzet) en NL24.21504 (beroep) uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [naam], opposant,
[[V-nummer]]
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en uitspraak van de enkelvoudige kamer in de beroepszaak tussen
opposant
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
1. Bij besluit van 17 mei 2024 heeft verweerder de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond van Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Opposant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 8 juli 2024 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Opposant heeft op 2 augustus 2024 tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend.
1.3.
Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2024. Hieraan heeft de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De heer
K. Ghanmi was als tolk aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Opposant stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op
[geboortedag] 1999. Opposant heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Wat heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak geoordeeld?
3. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de bestreden uitspraak – kort samengevat – geoordeeld dat verweerder niet gehouden was om navraag te doen bij de Kroatische autoriteiten of het terugnameverzoek ondubbelzinnig is geaccepteerd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van Kroatië niet (langer) kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft opposant niet aannemelijk gemaakt dat hij bij problemen geen mogelijkheid heeft om te klagen bij de Kroatische autoriteiten. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat vindt opposant in verzet?
4. Opposant betoogt – kort samengevat – dat de rechtbank hem op een zitting had moeten horen over de door hem aangevoerde individuele omstandigheden, en omdat het beroep van zijn broer wel op zitting is behandeld en niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Opposant wijst in dat kader ook op een arrest van het Hof van Justitie over de bewijslastverdeling1 en meent dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om op zitting te worden gehoord over wat hij heeft meegemaakt in Kroatië. Verder voert opposant aan dat de rechtbank in de bestreden uitspraak onvoldoende is ingegaan op de beroepsgrond dat Kroatië niet ondubbelzinnig het terugnameverzoek heeft geaccepteerd. Ook voert opposant aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 20242.
Wat is het toetsingskader bij verzet?
5. Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Als opposant met gegronde redenen kan onderbouwen dat het beroep niet zonder zitting afgedaan mocht worden bij de bestreden uitspraak, kan het verzet gegrond verklaard worden. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
6. De verzetsrechter is van oordeel dat opposant in beroep voldoende individuele feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de rechtbank het beroep niet zonder een zitting kon afdoen. Opposant heeft in zijn beroepsgronden (en het gehoor en zijn zienswijze) verklaard dat hij door de Kroatische autoriteiten drie dagen lang in een busje is vastgehouden zonder toegang tot eten, drinken en behoorlijke sanitaire voorzieningen.
1. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 (C-392/22) ECLI:EU:C:2024:195.
2 Zaaknummers NL24.22621 en NL24.22622.
Daarom vreest hij voor schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest als hij aan Kroatië wordt overgedragen. In dit geval is van belang dat eigen ervaringen als concrete aanwijzingen voor een mogelijke schending van die artikelen kunnen gelden. De verzetsrechter vindt daarom dat het eindoordeel niet buiten redelijke twijfel stond en dat het beroep van opposant door de rechtbank op een zitting had moeten worden behandeld.
7. Het verzet is gezien overweging 6. gegrond. De overige verzetsgronden die opposant heeft aangevoerd, behoeven daarom niet te worden besproken. Het onderzoek in de beroepszaak zal worden voorgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de bestreden uitspraak bevond. Opposant zal hierna als ‘eiser’ worden aangeduid.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het beroep?
8. Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank ook uitspraak doen op het beroep, nu de rechtbank van oordeel is dat nader onderzoek op een andere zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep en partijen op de verzetszitting tevens zijn gehoord over de inhoud van de zaak. Zij zijn toen ook gewezen op deze bevoegdheid van de bestuursrechter.
9. Eiser voert in beroep aan dat de Kroatische autoriteiten in strijd met artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening handelen, omdat het claimakkoord niet ondubbelzinnig is geaccepteerd. Verweerder had daarom bij de Kroatische autoriteiten navraag moeten doen. Verder voert eiser aan dat hij niet aan Kroatië kan worden overgedragen vanwege systeemfouten in de procedure aldaar. Eiser wijst in dit kader op zijn ervaringen in Kroatië en voert aan dat verweerder dit onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Ter onderbouwing wijst eiser ook op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2024,3 een brief van Vluchtelingenwerk van 13 juni 2024 en een brief van Centre for Peace Studies van 19 januari 2024 waarin het Kroatische asielsysteem wordt besproken. Ook heeft eiser de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam4 op het beroep van zijn (gestelde) broer overgelegd. Verweerder had in eisers ervaringen in Kroatië reden kunnen zien om de zaak aan zich toe te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser wijst ook hier op voormeld arrest van het Hof van Justitie van
29 februari 2024 over de bewijslastverdeling. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de hoogste bestuursrechter recent vragen aan verweerder heeft gesteld over de opvang van vreemdelingen in Kroatië die in het kader van de Dublinverordening zijn overgedragen.
Het claimakkoord
10. Kroatië is op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. De rechtbank ziet in de zinsnede uit het claimakkoord die eiser aanhaalt – ‘in order to continue to determine responsibility for the above mentioned person’ – geen aanknopingspunten dat de Kroatische autoriteiten handelen in strijd met artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Dat Kroatië nog niet heeft aangegeven de asielaanvraag van eiser te gaan behandelen, maakt niet dat het claimakkoord onduidelijk of ongeldig is. Omdat verweerder in deze terugnamesituatie slechts is gehouden om te onderzoeken of Nederland
3 Zaaknummers NL24.22621 en NL24.22622.
4 Zaaknummers NL24.21241 en NL24.21242.
verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder navraag had moeten doen bij de Kroatische autoriteiten.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
11. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Hiervoor moeten de vastgestelde tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
11.
Conclusie
15. Het verzet is gegrond. De uitspraak van 8 juli 2024 vervalt.
16. Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Dat betekent dat de rechtbank - met inachtneming van alle informatie die op dit moment bekend is – opnieuw van oordeel is dat verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Het bestreden besluit blijft in stand.
16. Er bestaat aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen, omdat het verzet na behandeling op zitting gegrond is verklaard en het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2024 vastgesteld op € 875,- voor het gegronde verzet en € 875,- voor het beroep. De berekening is als volgt: 0,5 punt voor het verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de verzetszitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 875,- per punt, wegingsfactor 1.
9 Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (verzets)rechter, in aanwezigheid van mr.
L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 augustus 2024
Documentcode: DSR40138636
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk.