Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:13865
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,279 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31304
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze ophouding is begonnen op 8 augustus 2024 om 14:00 uur en beëindigd op 8 augustus 2024 om 18:35 uur.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Is er sprake van een (verkapt) vreemdelingrechtelijke aanhouding?
1. Eiser voert aan dat er sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105) blijkt dat de strafzaak tegen eiser is afgedaan met een geldboete. Eiser stelt echter dat aan hem geen boetebesluit is overhandigd, althans is deze niet in het dossier geüpload, terwijl deze afdoening wel onderbouwd had moeten worden met een boetebesluit. Dit geldt des te meer omdat proces-verbalen geregeld niet overeenkomen met hetgeen daadwerkelijk is gebeurd en individuen tegenwoordig te gemakkelijk via het strafrecht in het vreemdelingenrecht belanden. Eiser stelt namelijk dat het, gezien zijn (financiële) omstandigheden, helemaal niet reëel is om hem een geldboete op te leggen. Met verwijzing naar de punten 62 en 63 van het arrest Mahdi en het arrest FMS e.a., stelt eiser dat de rechtbank bevoegd is om een oordeel te geven over het voortraject.
2. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verbalisanten ter plaatse zijn gekomen naar aanleiding van een melding van een ambulance die om bijstand van de politie had gevraagd. Ter plaatse zagen de verbalisanten eiser op de openbare weg slapen. Dit is strafbaar gesteld bij artikel 2.20 van de Algemeen plaatselijke verordening Amsterdam. De verbalisanten hebben vervolgens eiser om een identiteitsbewijs gevraagd. Eiser heeft dit niet overgelegd en is daarom aangehouden op grond van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht. Hierna is de door eiser opgegeven naam in het systeem gecontroleerd en is hij meegenomen voor onderzoek.
3. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat in het proces-verbaal staat is eiser aangehouden en gecontroleerd op grond van een strafrechtelijke bevoegdheid. De verbalisanten zijn immers ter plaatse gekomen na een melding van een ambulance die om bijstand had gevraagd. Dit past binnen de uitoefening van de algemene politietaken. Eiser kon vervolgens strafrechtelijk worden aangehouden wegens overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Volgens vaste rechtspraak kan de bewaringsrechter niet oordelen over de aanwending van een niet bij of krachtens de Vw 2000 voorziene bevoegdheid. De bewaringsrechter zal dus geen oordelen geven over wat is aangevoerd over de vermelding “reden: boete (MEOS)” in het proces-verbaal M105. Het arrest Mahdi en het arrest FMS e.a. brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Tot slot merkt de rechtbank op dat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat de aangeleverde proces-verbalen niet overeenkomen met hetgeen daadwerkelijk zou zijn gebeurd. Eiser heeft daartoe ook geen enkel concreet feit of omstandigheid aangedragen. De rechtbank hecht geen waarde aan de door eiser ter zitting geuite vermeende ervaringen die zouden moeten leiden tot argwaan jegens het handelen van autoriteiten in dit soort situaties. Uit vaste rechtspraak volgt dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Indien eiser meent dat hetgeen in het proces-verbaal staat vermeld niet overeenkomt met hetgeen in werkelijkheid is gebeurd, dan is het aan eiser om dit overtuigend en met voldoende bewijs te onderbouwen. Dat is in deze procedure dus niet gebeurd.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.
14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367.
ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
ABRvS 15 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4570 en ABRvS 24 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:213