Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:1374
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,884 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.20676
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.] ,
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. L Hartog en mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 20 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 oktober 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze afwijzing.
2. De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Gure als tolk en mr. C.W.M. van Breda als gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Uit deze beoordeling volgt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser en zijn familie behoren tot een minderheidsgroep in Somalië ( [naam minderheidsgroep] ). Eisers broer is mishandeld door de familie van het meisje met wie hij wilde gaan trouwen omdat deze familie, die behoort tot de machtige clan [naam clan] , dit huwelijk niet goedkeurde. Deze broer is later overleden aan zijn verwondingen. Een andere broer van eiser heeft vervolgens wraak genomen door vier mensen uit de familie van dat meisje dood te schieten. De familieleden van de slachtoffers bedreigen eiser en zijn familie met de dood uit bloedwraak. Eiser zelf is ook mishandeld door leden van genoemde clan en heeft daarbij zijn arm gebroken. Eiser vreest bij terugkeer te worden vermoord.
5. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft de moord op eisers broer en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig geacht. Van eiser mocht verwacht worden dat hij enige kenmerken kan noemen van de clan van de [naam clan] , de clan waartoe het meisje behoort met wie de vermoorde broer van eiser wilde trouwen. Ook weet hij niet wat de namen zijn van de familieleden van dit meisje of wat er is gebeurd met de mensen die door zijn andere broer zijn beschoten. De verklaring van eiser dat ze zijn overleden is onvoldoende gedetailleerd en eenduidig. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de datum waarop hij zelf zou zijn mishandeld. De verschillen tussen de genoemde data waarop eiser zegt te zijn mishandeld zijn zeer groot, ondanks dat eiser moeite heeft met het noemen van jaartallen. Eiser heeft bovendien tegenstrijdig verklaard over de verschillende bedreigingen. Aan de ene kant stelt eiser dat hij van zijn moeder en zus over de bedreigingen heeft gehoord en aan de andere kant geeft hij in de correcties en aanvullingen aan dat hij meerdere keren heeft gezien dat er mensen naar zijn huis kwamen die stenen hebben gegooid. Eiser heeft niet correct verklaard over zijn leeftijd op het moment van vluchten hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Tot slot wordt niet gevolgd dat eiser vanwege fysieke en sociale aspecten als 15-jarige en daarmee nog niet als volwassene werd beschouwd, omdat hij bij zijn vertrek al 18 jaar was. Daarom wordt niet ingezien waarom hij nog een tijd op diezelfde plek heeft gewoond en gewerkt, terwijl zijn broer en vader inmiddels gevlucht waren vanwege de dreiging.
6. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat er geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Ook is niet ingegaan op de zienswijze waarin wordt gesteld dat het ontbreken van kennis over specifieke kenmerken van de [naam clan] niet kan worden tegengeworpen, omdat deze kenmerken niet bestaan of direct waarneembaar zijn. Deze tegenwerping is daarom onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft verder niet onderbouwd waarom van eiser verwacht mag worden dat hij de namen van de familieleden van de vriendin van zijn overleden broer zou moeten weten. Hierbij is van belang dat eiser jong was en niet zelf het conflict heeft gezocht. Hij is slachtoffer van het ondoordacht handelen van zijn broer. Ook was eiser niet zelf bij het schietincident aanwezig. Van hem kan dus niet verwacht worden dat hij gedetailleerd verklaart over de gebeurtenis en wat er met de personen is gebeurd op wie is geschoten. Eiser weet alleen dat ze zijn omgekomen. Daarnaast kan eiser gebeurtenissen niet goed in de tijd plaatsen, zoals blijkt uit het medisch advies en de vaststelling van de deskundige, zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet eenduidig heeft verklaard over het moment waarop hij is mishandeld. Ook is de verklaring in de correcties en aanvullingen dat eiser heeft gezien dat er met stenen werd gegooid niet tegenstrijdig. Het is namelijk een aanvulling op de eerder benoemde bedreiging. Tot slot werd eiser gezien als minderjarig, vanwege zijn jonge uiterlijk, zodat bloedwraak jegens hem nog niet aan de orde was. Hierdoor kon hij veilig zijn werkzaamheden uitvoeren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Uit de Werkinstructie WI 2014/10 volgt dat een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet plaatsvinden, waarbij alle relevante omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Daarbij moeten de verklaringen worden vergeleken met verklaringen van derden en objectieve bronnen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de enkele omstandigheid dat verweerder geen externe geloofwaardigheidsindicatoren in zijn besluit heeft betrokken op zichzelf niet reeds maakt dat verweerder zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het gewicht dat aan deze indicatoren toekomt is immers afhankelijk van het asielrelaas. Het is in de eerste plaats aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken.
[naam clan]
8. De rechtbank stelt vast dat eiser in het nader gehoor onder andere heeft verklaard dat de [naam clan] -clan een machtige clan is, dat ze in de regio [naam regio] wonen, dat deze clan is onderverdeeld in subclans, dat ze belangrijke posities bij de plaatselijke overheid hebben en een soort Federale Republiek hebben opgericht. Aan eiser is in het nader gehoor gevraagd of hij kenmerken van de clan kan noemen. Omdat eiser deze vraag niet begreep, heeft de gehoormedewerker deze verduidelijkt en gevraagd of de leden van deze clan zich anders kleden of dat er andere dingen zijn die hen anders maakt dan de andere clans. Eiser geeft daarop als antwoord dat hij niet weet wat deze clan bijzonder maakt. In de zienswijze en beroepsgronden heeft eiser gesteld dat hij het antwoord op die vraag niet kon geven, omdat deze kenmerken simpelweg niet bestaan, maar dat het gaat om de familiebanden.
9. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op deze verklaringen van eiser en heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen onderscheidende kenmerken kan noemen. Hoewel verweerder zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt stelt dat het niet zozeer gaat om uiterlijke kenmerken, maar om de achtergrond van de clan zelf, is het goed voorstelbaar dat eiser gelet op de vraagstelling in het nader gehoor begrepen heeft dat wel van hem verwacht werd te verklaren over uiterlijke kenmerken In dat licht kan hem dan ook niet worden tegengeworpen dat hij geen verdere informatie geeft over de subclans (waaronder de namen daarvan), zoals verweerder op zitting noemt. Daar is immers niet naar gevraagd in het gehoor. Bovendien geeft eiser wel degelijk informatie over de clan [naam clan] . Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij meer gedetailleerd had verklaard gelet op de informatie die over de clans is opgenomen in het ambtsbericht Somalië, waarnaar verweerder op de zitting verwijst, had het op de weg van verweerder gelegen om de objectieve bronnen zoals de informatie uit het Ambtsbericht over de (de rol en invloed van) clanstructuren kenbaar te betrekken in het bestreden besluit. Dat heeft verweerder niet gedaan. Het bestreden besluit is in zoverre daarom onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
De (gevolgen van de) beschieting
10. Verweerder werpt ook ten onrechte tegen dat eiser onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over de beschieting door zijn broer. Hij heeft immers verklaard dat er vier mensen zijn beschoten en dat zij zijn overleden. Ook heeft hij verklaard dat een broer en een neef twee van de slachtoffers waren. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarover eiser gedetailleerder had moeten verklaren.
11.
Conclusie
16. Het bestreden besluit is gebrekkig gemotiveerd. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing op de aanvraag te nemen. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen en moet in dat besluit rekening houden met deze uitspraak.
17. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1750 (duizendzevenhonderdvijftig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:3652.
Algemeen Ambtsbericht Somalië.
Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie hiervoor het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij het Besluit proceskoten bestuursrecht.