Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:13734
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,030 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.464
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Procesverloop
Bij het primaire besluit van 23 januari 2023 is door de minister vastgesteld, dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als gemeenschapsonderdaan. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd.
Bij het bestreden besluit van 12 december 2023 is eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd met zaaknummer NL24.465.
Bij gewijzigd besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege betrekking op het gewijzigde besluit.
De rechtbank heeft het beroep met het verzoek op 14 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.A.M. Karsten waarnemend voor eisers gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt de vaststelling, dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en ook de oplegging van het terugkeerbesluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het gewijzigd besluit
2.1.
Eiser is geboren op [datum], heeft de Poolse nationaliteit en verblijft ten minste vanaf 25 november 2018 in Nederland. Op 20 januari 2023 heeft de politie een voorstel gedaan tot vaststelling van het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland. Hierbij is een recent uittreksel van de Justitiële Documentatie van eiser betrokken.
2.2.
Bij het primaire besluit heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft als gemeenschapsonderdaan, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vb. Er is namelijk niet gebleken dat eiser werkt, studeert, onvrijwillig werkloos is of als werkzoekende ingeschreven is bij het UWV. De laatste inkomensopgave van eiser dateert van 24 februari 2019. Verder is niet gebleken dat eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt. Volgens de minister leidt eiser een zwervend bestaan en komt hij vaak in aanraking met de politie wegens overlast. Ook is eiser veroordeeld voor meerdere diefstallen. Tot slot heeft eiser geen familieleven in Nederland. De belangenafweging valt daarom in het nadeel van eiser uit, aldus de minister.
2.3.
Het primaire besluit is aan eiser in persoon uitgereikt op 18 oktober 2023. Namens eiser is bij brief van 10 november 2023 bezwaar gemaakt. Eiser heeft betwist dat hij niet aan de voorwaarden voldoet voor rechtmatig verblijf. Ook heeft hij gesteld actief naar werk te zoeken, dat hij onvrijwillig werkloos is, dat hij een moeilijke tijd heeft gehad en dat het besluit is gebaseerd op onjuiste veronderstellingen. Tot slot is verzocht om eiser te horen.
2.4.
Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden. Bij gewijzigd besluit is het bestreden besluit ingetrokken en is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De minister heeft aanvullend gesteld, dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij werkzoekende is of onvrijwillig werkloos is. Volgens de minister heeft eiser daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij een reële kans op werk heeft in de toekomst en dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vb.
Gronden beroep
3. In beroep heeft eiser aangevoerd dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat de minister hem niet heeft gehoord en niet de juiste informatie heeft verzameld. Eiser heeft een tweejarige ISD-maatregel (Inrichting voor Stelselmatige Daders) opgelegd gekregen met de re-integratie van eiser als doel. Eiser zat midden in dit traject, toen het primaire besluit werd genomen, is uitgereikt en zijn rechtmatig verblijf is beëindigd. Dit heeft grote gevolgen voor eiser, omdat hij hierdoor niet meer mag deelnemen aan de extramurale fase van het programma en het zoeken van een baan en een woning onmogelijk is gemaakt. Het is voor eiser daarom onmogelijk om te voldoen aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Ter zitting heeft eiser gesteld, dat deze omstandigheid in bezwaar naar voren is gebracht en de minister dit ten onrechte niet heeft betrokken. Ook heeft de minister ten onrechte niet betrokken dat eiser vanwege de ISD-maatregel niet uitzetbaar is en dat de door hem gepleegde misdrijven lang geleden zijn. Daarnaast heeft eiser betoogd dat hij een reële kans op werk heeft, dat hij een positieve bijdrage wil leveren aan de maatschappij en dat de minister met de besluitvorming het Unierechtelijke vrije verkeer van personen en diensten belemmert. Tot slot heeft eiser gesteld dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord.
Oordeel rechtbank
4.1.
Het verblijfsrecht van gemeenschapsonderdanen in een andere Europese lidstaat is geregeld in de Verblijfsrichtlijn. Artikel 7 van de deze richtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.12 van het Vb. Voor zover betwist, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, dat hij voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, neergelegd in artikel 8.12 van het Vb. Gesteld noch gebleken is dat eiser studeert of werkt. Evenmin is gebleken dat eiser beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een zorgverzekering. Voor zover gesteld, heeft eiser niet met stukken onderbouwd, dat hij na 24 februari 2019 in Nederland heeft gewerkt. Ook is niet gebleken dat eiser zich sindsdien heeft ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. Eiser heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de enkele stellingen dat hij onvrijwillig werkloos is, dan wel dat hij een reële kans heeft op werk in de toekomst. Evenmin volgt de rechtbank eiser in de stelling dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en hem ten onrechte niet heeft gehoord. In dit verband heeft de minister terecht gesteld, dat eiser voorafgaand aan de procedure op 12 januari 2024 is gevorderd om te verschijnen bij het gehoor over zijn EU-verblijfsrecht, zodat hij zijn zienswijze kon geven. Deze vordering is in persoon aan eiser uitgereikt, maar hij is zelf niet bij het gehoor verschenen.
4.2.
Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht vastgesteld, dat eiser niet langer rechtmatig verblijf geniet in Nederland op grond van het Unierecht. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat de opgelegde ISD-maatregel ten onrechte niet is betrokken in de besluitvorming en aan de vaststelling in de weg staat. Anders dan ter zitting is gesteld, heeft eiser niet in bezwaar maar eerst in beroep naar voren gebracht dat aan hem een ISD maatregel is opgelegd. Behalve dat eiser de maatregel niet met stukken heeft gestaafd, heeft de minister het niet in het gewijzigde besluit hoeven te betrekken, omdat het niet aan de besluitvorming in de weg staat. De ISD-maatregel verandert namelijk niet dat eiser niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht voldoet. De stellingen dat de maatregel zal uitmonden in het zoeken van een woning en werk en dat het door de besluitvorming onmogelijk is geworden om te voldoen aan de voorwaarden, slagen niet.
Naar het oordeel van de rechtbank komt het voor rekening en risico van eiser dat hij niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht voldoet en dat hij vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf niet meer zou mogen deelnemen aan een extramurale fase van de ISD-maatregel. Voor zover gesteld, heeft eiser niet onderbouwd dat hij sinds 24 februari 2019 heeft gewerkt. Evenmin is gebleken dat eiser – in vrijheid – tussen januari 2021 tot december 2022 in Nederland heeft gewerkt, studeerde, of stond ingeschreven als werkzoekende.
4.3.
De rechtbank volgt eiser verder niet in de stellingen dat zijn rechtmatig verblijf is beëindigd toen hij midden in het ISD-traject zat, omdat het primaire besluit drie dagen na eisers nieuwe aanhouding genomen is en de besluitvorming van declaratoire aard is. Dat betekent, dat op dat moment is vastgesteld dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. De stelling dat de besluitvorming het Unierechtelijke vrije verkeer van personen en diensten belemmert, kan daarom niet slagen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers stellingen, dat hij niet uitzetbaar is en dat de gepleegde misdrijven lang geleden zijn, evenmin slagen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat aan eiser terecht een terugkeerbesluit is opgelegd. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en moet terugkeren naar Polen.
7. Omdat eiser in eerste instantie wel terecht beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit en de niet-ontvankelijk verklaring van zijn bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). De proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, gelet op artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het Vreemdelingenbesluit 2000.
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68.
ECLI:NL:RVS:2022:1918, zie de overwegingen 4.3. en 5.1.