Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:1368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,344 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2095
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 april 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage gedateerd 19 januari 2024 overgelegd.
Eiser heeft daarop op eveneens 19 januari 2024 gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek
gesloten op 26 januari 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep op 27 december 2023.
4. Eiser stelt dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eisers nationaliteit is bevestigd op 13 december 2023. Inmiddels is nog steeds geen LP afgegeven. Desondanks spreekt verweerder in de voortgangsrapportage van een stellige zekerheid dat eiser op korte termijn zal worden uitgezet. Eiser acht deze mededeling niet geloofwaardig. Hij verblijft al negen maanden in bewaring en het is nog volstrekt onduidelijk of een LP zal worden verstrekt. Zijn belang bij opheffing van de maatregel weegt dan ook zwaarder dan het belang van verweerder bij de voortzetting hiervan.
5. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het algemeen oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko ontbreekt. Hiervan is ook in de specifieke situatie van eiser geen sprake. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser op 13 december 2023 hebben bevestigd, dat er vervolgens op 15 december 2023 schriftelijk is verzocht om afgifte van een LP voor eiser en dat er op 2 en 16 januari 2024 nog door de afdeling DIA over de LP-aanvraag is gerappelleerd. Dat er tot op heden geen LP is afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten is onvoldoende om aan te nemen dat nu het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn voor eiser ontbreekt. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het ook na een nationaliteitsbevestiging nog enige tijd kan duren voordat een LP wordt verstrekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser onverminderd de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting. Weliswaar is er geen sprake van een actieve frustratie, maar eiser heeft tot op heden geen enkele aantoonbare inspanning verricht om documenten betreffende zijn identiteit te verkrijgen, terwijl dergelijke medewerking wel van hem kan worden verlangd. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat de Marokkaanse autoriteiten, ook bij volledige medewerking van eiser, geen LP voor hem zullen afgeven.
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Bij de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6394, 17 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10734, 2 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15089, 8 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17236, 29 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18661 en 27 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20768.
Laissez-passer.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
Directie Internationale Aangelegenheden.