Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:1366
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,683 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37120
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 6 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 november 2023 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2024 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. R.P. van Empel-Bouwman, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, M. Momand als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De beoordeling leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming heeft in Italië.
5. Eiser voert hiertegen aan dat in het geval van Italië ten aanzien van statushouders niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit een decreet van de Italiaanse autoriteiten van 7 augustus 2023 blijkt dat de Italiaanse autoriteiten de opvangvoorzieningen van statushouders zo snel mogelijk beëindigen, ook wanneer een statushouder nog niet in het bezit is van de reeds verleende verblijfsvergunning. Eiser verwijst naar de, volgens hem vergelijkbare, situatie van statushouders in Griekenland en de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021. Eiser zal daarom bij terugkeer in een situatie komen van materiële deprivatie. Dat is in strijd met artikel 4 van het Handvest. Hierbij wordt verwezen naar het arrest Ibrahim.
6. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië voor statushouders mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de Afdeling. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd.
7. In het arrest Ibrahim is het volgende bepaald. Er kan pas sprake zijn van een schending van artikel 4 van het Handvest, wanneer er tekortkomingen zijn die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak. Deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.
8. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij ook na de verkrijging van zijn asielstatus in augustus 2022 nog opvang heeft genoten tot juni 2023. Aansluitend heeft hij met hulp van een medewerker van de opvanglocatie werk kunnen vinden in een hotel. Hij heeft daar gedurende twee maanden gewoond en gewerkt. Vervolgens heeft hij één à twee weken verbleven bij een vriend. Eiser heeft verklaard dat hij daarna geen onderdak meer had. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij veel inspanningen heeft verricht en op enig moment de hulp heeft ingeroepen van de Italiaanse autoriteiten om wederom huisvesting en werk te krijgen. Dat het hem niet lukte om ingeschreven te worden bij een universiteit, heeft begrijpelijkerwijs geleid tot teleurstelling, maar kan geen gewicht in de schaal leggen bij de beoordeling of sprake is van verregaande materiële deprivatie. Van eiser mag verwacht worden dat hij voldoende inspanningen verricht om zijn rechten te effectueren of dat hij hulp inroept van de Italiaanse autoriteiten indien dit niet lukt. Eiser heeft met de verwijzing naar het decreet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. Daarnaast kan eiser niet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar, gelet op zijn jonge leeftijd en het feit dat hij eerder in staat is gebleken werk en onderdak voor zichzelf te regelen. Hij is niet aan te merken als een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun. Al met al is niet aannemelijk gemaakt dat de hoge drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Ibrahim is bereikt.
Conclusie
Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1626.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.
Uitspraken van 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788, en van 27 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4374. .
Zie met name punt 89 en 90 van dat arrest.