Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:1346
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,856 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2340
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.F.H. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 25 januari 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 24 januari 2024 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 25 januari 2024 een verweerschrift ingediend. Op 1 februari 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
4. Verweerder heeft de zware grond 3f laten vallen.
5. Eiser betwist de zware grond 3a en voert aan dat hij is overgedragen door de Belgische autoriteiten. Het was dan ook niet zijn keuze was om naar Nederland te komen. Ten aanzien van zware grond 3b voert eiser aan dat de stukken in het dossier ontbreken. De zware grond 3c betwist eiser door te stellen dat bekendmaking van een besluit weliswaar juridisch juist is, maar niet effectief. Ten aanzien van de zware grond 3d voert eiser aan dat hij niet kan achterhalen dat hij verklaard heeft dat hij beschikt over een foto van zijn identiteitskaart op zijn telefoon. Ook betwist eiser de lichte gronden.
6. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de aan deze maatregel ten grondslag gelegde zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d,3e en 3i voldoende is als deze feitelijk juist zijn. De rechtbank stelt vast dat dat het geval is. Eiser beschikt namelijk niet over een geldig reisdocument met het benodigde inreisvisum. Ook heeft eiser niet bestreden dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken door met onbekende bestemming te vertrekken. Daarnaast heeft eiser met het terugkeerbesluit, welke op juiste wijze bekend is gemaakt aan eiser door plaatsing in de Staatscourant, eerder de aanzegging ontvangen Nederland te verlaten. Ook heeft eiser geen aantoonbare inspanningen verricht om een identiteitsdocument te verkrijgen en heeft hij meerdere aliassen opgegeven in Nederland. Tot slot heeft eiser meermalen verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Marokko.
7. De rechtbank is van oordeel dat deze zware gronden reeds de conclusie rechtvaardigen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken of de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dragen. Wat is aangevoerd over de lichte gronden behoeft daarom geen bespreking meer.
8. Tot slot leidt ambtshalve toetsing ook niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig
was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zoals blijkt uit de rapporten van bevindingen van 9 februari 2023 en 27 februari 2023.
Dit is conform het beleid zoals neergelegd in de C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Op grond van artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000.