Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:13294
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,076 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en
de minister van Buitenlandse Zaken
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf, met als doel familiebezoek bij [referente] (referente).
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het primaire besluit van 1 september 2023 – bekendmaking op 5 september 2023 – afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar dat eiseres daartegen heeft ingesteld, kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de zus van eiseres (referente) en de gemachtigde van de minister. Eiseres verblijft in Turkije en was daarom niet aanwezig op de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de kennelijk ongegrondverklaring van het bezwaar en daarmee de weigering om aan eiseres een visum te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Afwijzing van het visum
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2009, heeft de Turkse nationaliteit en heeft op 9 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een visum voor kort verblijf met als doel familiebezoek zodat zij haar zus (referente) en haar gezin in Nederland kan bezoeken. Eiseres heeft als verblijfsduur 20 januari 2024 tot 4 februari 2024 opgegeven.
3.1.
In het primaire besluit heeft de minister de visumaanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii en sub b van de Visumcode. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de visumaanvraag op dezelfde grondslag als in het primaire besluit gebaseerd.
Beoordeling
4. Vooropgesteld moet worden dat het stelsel voor de beoordeling van aanvragen voor visa, dat in artikel 32 van de Visumcode is neergelegd, dwingend voorschrijft dat de afgifte van een visum wordt geweigerd als zich één of meer van de in artikel 32 genoemde weigeringsgronden voordoet.
4.1.
De rechtbank toetst of de minister niet ten onrechte het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Uit het toepasselijke Unierecht volgt dat het aan de aanvrager is om het verblijfsdoel en de tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Bij deze beoordeling komt de autoriteiten een ruime beoordelingsmarge toe. De rechtbank toetst de beoordeling van het bestreden besluit daarom enigszins terughoudend.
Is er sprake van vestigingsgevaar?
5. Eiseres betoogt dat de minister haar sociale binding met Turkije ten onrechte aanmerkt als gering. De minister miskent dat eiseres pas vijftien jaar is, is geboren en getogen in Turkije, bij haar ouders woont en dat haar broer en zus in dezelfde woonplaats wonen. Daarnaast gaat zij naar school in Turkije en speelt haar sociale leven zich in Turkije af. Eiseres spreekt geen Nederlands en Engels, zij wil haar school niet in Nederland afmaken en wil in de toekomst in Turkije studeren. Zij heeft met haar familierelaties en haar schoolcarrière in Turkije de sociale binding aangetoond. Ook gelet op haar leeftijd dient de minister zich af te vragen wat qua sociale binding verwacht kan worden. Eiseres verwijst naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 22 juni 2018 en van zittingsplaats Arnhem van 29 juli 2019. Eiseres heeft gelet op haar leeftijd zelf nog zorg nodig en er is geen enkele aanwijzing dat eiseres zich in Nederland zal vestigen. Wat betreft de economische binding met Turkije stelt de minister ten onrechte dat de vader van eiseres haar ook op afstand kan onderhouden en haar kosten kan betalen. De kosten van het levensonderhoud in Nederland liggen veel hoger dan in Turkije. Eiseres verwijst ter onderbouwing van dit betoog naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 12 juli 2022.
5.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres een geringe sociale binding heeft met Turkije en dat de economische binding met Turkije ontbreekt. De sociale binding met Turkije is gering omdat eiseres als vijftienjarige bij haar ouders woont en het volgen van onderwijs niet aan Turkije gebonden is, ook heeft zij geen verantwoordelijkheid in de vorm van zorg voor een eigen gezin. De economische binding ontbreekt omdat zij geen werk heeft, geen eigen economische verplichtingen en geen arbeidsverleden. Het feit dat de vader van eiseres haar financieel onderhoudt levert geen economische binding op, omdat haar vader deze financiële steun ook op afstand kan bieden.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte dit standpunt inneemt. Voor wat betreft de sociale binding stelt de minister niet ten onrechte dat eiseres algemeen onderwijs volgt wat kan worden opgeschort en onvoldoende is om binding met Turkije aan te nemen. De stelling van eiseres dat zij, onder verwijzing naar de overgelegde vertaalde schooldocumenten, nog drie jaar naar het lyceum in Turkije moet, doet hier geen afbreuk aan. Evenmin blijkt hieruit dat eiseres geen onderwijs in Nederland kan volgen, zodat alleen het feit dat zij in Turkije naar school gaat geen tijdige terugkeer garandeert. Ook stelt de minister niet ten onrechte op de zitting dat eiseres vijftien jaar is, dat niet van haar kan worden verwacht dat zij een eigen gezin heeft of de zorg voor directe familieleden uitvoert, maar dat ook niet is gebleken van maatschappelijke binding in de vorm van verenigingsleven of een sportclub. Er is daarom niet gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen, die eiseres ertoe dwingen om terug te keren naar Turkije. Voor wat betreft de economische binding stelt de minister niet ten onrechte dat het begrijpelijk is dat eiseres geen inkomen heeft maar dat haar vader haar ook op afstand kan onderhouden. Eiseres brengt hiertegen in dat de koers van de Turkse lira en de levenstandaard anders ligt dan in Nederland, volgens haar is daarom niet gebleken dat haar vader haar op afstand in Nederland kan onderhouden. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de economische binding met Turkije ontbreekt, dat financiële steun niet landgebonden is en dat hogere kosten in Nederland geen afbreuk doen aan de mogelijkheid tot financiële steun op afstand.
Ook de verwijzingen van eiseres naar de uitspraken van 22 juni 2018, 29 juli 2019 en 12 juli 2022 slagen niet. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor de conclusie dat de minister het toetsingskader niet op juiste wijze zou hebben toegepast.
5.4.
Eiseres heeft verder in de beroepsgronden opgenomen dat de visumaanvraag van de andere zus van referente (en van eiseres) vorig jaar ook is afgewezen op dezelfde gronden, dat daar geen bezwaar tegen is aangetekend en dat dit beleid van de minister betekent dat referente geen van haar zussen persoonlijk kan ontmoeten. Dit is volgens eiseres humanitair gezien moeilijk te verteren.
De rechtbank merkt over deze grond/opmerking op dat het hier gaat om de beoordeling van het beroep van eiseres en niet de beoordeling van een weigering om aan de zus van eiseres en referente een visum te verlenen. Voor zover dit moet worden aangemerkt als een beroepsgrond, slaagt de grond niet.
Is er een garantstelling?
6. Eiseres betoogt dat het klopt dat haar zus (referente) zich in de bezwaarprocedure niet garant heeft gesteld. Referente heeft namelijk zelf (nog) geen inkomen en kan daarom niet voor eiseres garant staan. Het was referente niet duidelijk dat haar echtgenoot ook garant kon staan. De echtgenoot van referente heeft zich daarom in bezwaar garant gesteld. Hier zijn stukken van overgelegd namelijk het ‘Bewijs garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking’. Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt dat de echtgenoot voldoende solvabel is. Er is daarom sprake van meer dan alleen garant willen stellen. De minister heeft daarnaast de nauwe familierelatie en daarmee de betrouwbaarheid onvoldoende in het bestreden besluit meegenomen.
6.1.
De minister wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat in het formulier ‘Bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesvertrekking’, alleen is ingevuld dat referente logies verstrekt aan eiseres. Bij de vraag betreffende de garantstelling is nee ingevuld, zodat geen sprake is van een (extra) waarborg voor de tijdige terugkeer. De minister stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat nog afgezien van de vraag of de man van referente solvabel is, dit niet voldoende is om de gerezen twijfel over referente en het vestigingsgevaar van eiseres weg te nemen. Deze twijfel bestaat bij de minister omdat is gebleken dat referente zonder visum voor kort verblijf dan wel een nationaal visum Nederland is ingereisd, asiel heeft aangevraagd en gekregen. De beroepsgrond slaagt niet.
Doel en omstandigheden van het verblijf – herhaald en ingelast?
7. De gemachtigde van eiseres voert ter zitting aan dat zij (indirect) ook een grond heeft gericht tegen de aparte afwijzingsgrond van het visum dat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet duidelijk zijn. De gemachtigde van eiseres verwijst hiervoor naar de motivering in de gronden van bezwaar en de opname in de beroepsgronden dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Verder stelt zij op de zitting dat de minister in het bestreden besluit niet inhoudelijk is ingegaan op wat zij in bezwaar tegen deze afwijzingsgrond heeft aangevoerd, dus dat zij in de beroepsgronden hier dan niet inhoudelijk op kan en hoeft in te gaan.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat dat de minister terecht heeft geweigerd om aan eiseres een visum te verlenen. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn niet aangetoond.
Redelijke twijfel over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Verordening (EG) 810/2009 (Visumcode).
Zo blijkt uit HvJEU 19 december 2013, Rahmanian Koushkaki tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2013:862.
Ten tijde van het bestreden besluit was eiseres veertien, inmiddels is zij vijftien jaar.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 22 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7803.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 29 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7817.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 12 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6776.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 26 januari 2012, AWB 11/29594.
ABRvS van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 7:3 van de Awb.
Vergelijk ABRvS van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2564.