Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:1328
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
682 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.484
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
De zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de staatssecretaris van 4 januari 2024, samen met de zaak NL24.485, op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op de zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna.
Beoordeling
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft op 30 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 4 januari 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de beroepsgronden een herhaling zijn van wat eiser al in de zienswijze had aangevoerd en waarop de staatssecretaris heeft gereageerd. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het vereist is om in de beroepsgronden toe te lichten waarom de reactie van de staatssecretaris op de zienswijze op het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag tekortschiet. Dat heeft eiser niet gedaan. Om deze reden slagen de beroepsgronden niet.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond mocht verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2024 door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
ABRvS 17 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1028 en ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169.