Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:13245
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,170 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31146
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C. Theodoulou).
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.E.J.M. van den Toorn, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Tunesische nationaliteit te hebben. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Verweerder is op grond van artikel 59 van de Vw dan ook bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden feitelijk juist en voor zover nodig (lichte gronden) voldoende gemotiveerd. De gronden kunnen de maatregel dragen.
4. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat met een lichter middel had moeten worden volstaan vanwege de medische klachten van eiser. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zelfstandig terug te keren naar zijn land van herkomst en heeft ook geen actie ondernomen om zijn vertrek mogelijk te maken. Dat eiser vanwege knieklachten slecht ter been is, betekent niet dat daarmee niet langer grond zou bestaan om het risico op onttrekking aan te nemen of dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend moet worden geacht. Verweerder heeft terecht gewezen op de medische voorzieningen in het detentiecentrum. .
5. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 augustus 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.