Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:13222
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,201 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19673
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft op 7 april 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 29 april 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep1, op zitting behandeld. De gemachtigden van beide partijen hebben aangegeven niet ter zitting te verschijnen.
Beoordeling
3. De rechtbank beantwoordt de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De staatssecretaris heeft immers in zijn verweerschrift van 11 juni 2024 medegedeeld dat eiser volgens meldingen van het COA en de politie per 28 mei 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
4. De rechtbank heeft naar aanleiding van deze berichtgeving op 17 juni 2024 de gemachtigde van eiser onder meer gevraagd of hij nog contact heeft met eiser.
5. De gemachtigde van eiser heeft op 23 juni 2024 als volgt geantwoord:
“(…) Aan mij is niet bekend of de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken. De vreemdeling heeft daarover aan mij niets bekend gemaakt; als hij Nederland zou verlaten zou hij mij dat laten weten. Op het bericht van mij aan mijn cliënt ter zake van MOB melding heeft hij (nog) niet gereageerd. Ik weet op dit moment niet wat daarvan de oorzaak
1. Zaaknummer NL24.19674
is. Betrokkene heeft belang bij het beroep want ik ga er vanuit dat hij nog in Nederland is (…)”
6. Op 26 juni 2024 heeft de gemachtigde van eiser het volgende meegedeeld:
“(…) Hierdoor bericht ik u dat ik geen aanvulling heb op mijn bericht aan u van
23 juni 2024 ter zake van de MOB melding van eiser door verweerder. In de tussentijd heb ik geen contact met hem kunnen krijgen (…)”
7. Uit deze mededelingen maakt de rechtbank op dat de gemachtigde van eiser in ieder geval sinds 28 mei 2024 geen contact meer heeft met eiser en dat de gemachtigde van eiser ook niet beschikt over informatie omtrent de huidige verblijfplaats van eiser. De gemachtigde van eiser heeft niet aangegeven dat hij met eiser heeft gecommuniceerd over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Uit één en ander leidt de rechtbank af dat eiser niet langer prijs stelt op de behandeling van zijn beroep tegen de afwijzende beslissing van de staatssecretaris op zijn asielaanvraag. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 juni 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.