Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:13204
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,175 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7694
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder
(gemachtigde: Q.D.J. Ramroop).
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 21 augustus 2023 om een gehandicaptenvergunning afgewezen.
Bij besluit van 16 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2024. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiser heeft op 21 augustus 2023 een aanvraag voor een gehandicaptenvergunning ingediend. Daarbij heeft hij aangegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [plaats] en in het bezit te zijn van een Europese gehandicaptenkaart. Daarnaast heeft eiser een leaseovereenkomst van 1 juli 2023 overgelegd waarin staat dat
[naam] (de moeder van eiser), wonende aan de [adres 2] te [plaats], een auto met kenteken [kenteken] (de auto) verhuurt aan eiser. Eisers moeder is kentekenhouder.
1.2.
Uit het sociaal-medisch advies van Calder Werkt van 12 juli 2023 blijkt dat bij eiser sprake is van een neurologische postoperatieve aandoening met spierzwakte en coördinatieverlies in zijn rechterlichaamshelft. De afstand die eiser te voet kan afleggen bedraagt tussen de 50 en 100 meter en verbetering is niet te verwachten.
2.1.
Bij het primaire besluit, gehandhaafd na bezwaar bij het bestreden besluit, heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen op de grond dat eiser geen berijder van de auto is. Volgens verweerder is uitgangspunt van het berijderschap dat eisers naam op de leaseovereenkomst staat; dat de leasemaatschappij toestemming geeft om de auto te besturen is onvoldoende. Daarnaast is de gehandicaptenvergunning uitsluitend bedoeld voor de houder van een gehandicaptenkaart. Omdat de leaseovereenkomst op naam van een ander staat die tevens op een ander adres woont is er geen sprake van berijderschap, aldus verweerder.
2.2.
In verweer stelt verweerder dat eiser, gelet op artikel 1.1, tweede lid, van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (de Regeling), niet voldoet aan de criteria van berijderschap, omdat de leaseoverkomst niet afkomstig is van een werkgever of leasemaatschappij van eiser.
3. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen gehandicaptenvergunning als berijder heeft toegekend. Volgens eiser voldoet hij aan de voorwaarden, omdat hij een leaseovereenkomst heeft overgelegd en hij langer dan drie maanden de vaste bestuurder van de auto is. Eiser doet verder een beroep op de hardheidsclausule uit de Regeling. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte op het bezwaar heeft beslist zonder hem te horen.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen houder van de auto is als bedoeld in de Regeling en hij in het bezit is van een Europese gehandicaptenkaart. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser is aan te merken als berijder van de auto.
4.2.
Ingevolge artikel 4.2.2 (gehandicaptenvergunning), eerste lid, van de Regeling kan verweerder een parkeervergunning verlenen aan een bewoner die houder of berijder is van een motorvoertuig en houder is van een geldige Europese gehandicaptenkaart voor bestuurders.
Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Regeling wordt onder berijder verstaan: ‘degene die met toestemming van de houder van een motorvoertuig, die werkgever of leasemaatschappij van de aanvrager is, voor een periode langer dan drie maanden de vaste bestuurder van het motorvoertuig is.’
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet is aan te merken als berijder als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de Regeling, omdat hij de auto niet van een werkgever of een leasemaatschappij huurt, maar van zijn moeder. Dit betekent dat eiser niet voldoet aan de definitie van een berijder en dus ook niet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenvergunning.
4.4.
Ingevolge artikel 6.1 van de Regeling kan verweerder een of meer bepalingen van de Regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang van de Regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Niet onredelijk is dat verweerder daartoe geen aanleiding heeft gezien. Eiser kan met zijn Europese gehandicaptenkaart op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen parkeren. Hij heeft niet onderbouwd dat het niet kunnen parkeren op andere parkeerplaatsen in Den Haag in zijn geval tot onbillijke situaties leidt.
4.5.
Dat aan eiser, zoals hij stelt, ondanks dezelfde bepalingen in de gemeenten Amsterdam en Leiden wel een gehandicaptenvergunning is toegekend, doet er niet aan af dat de gemeente Den Haag een eigen beleid voert en een eigen verantwoordelijkheid heeft, en zij niet gebonden is aan wat andere gemeenten doen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat verweerder zich aan de letterlijke tekst van de Regeling houdt en deze consequent toepast om misbruik van vergunningen te voorkomen.
4.6.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in de bezwaarfase heeft mogen afzien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Om tot het bestreden besluit te komen was redelijkerwijs geen nader onderzoek in de vorm van horen nodig, nu eiser evident niet voldoet aan de definitie van een berijder en in zijn bezwaarschrift geen omstandigheden heeft aangevoerd die voor de hardheidsclausule relevant kunnen zijn.
4.7.
Verweerder heeft pas in het verweerschrift in beroep de juiste motivering gegeven en niet in het bestreden besluit. In het bestreden besluit wordt immers ten onrechte tegengeworpen dat de leaseovereenkomst niet op naam van eiser zou staan. Eiser betoogt daarom terecht dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Aannemelijk is dat eiser door het motiveringsgebrek niet is benadeeld, aangezien zonder dit gebrek een besluit met dezelfde uitkomst zou zijn genomen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Ondanks wat onder 4.7 is overwogen, hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
7. Eiser heeft geen proceskosten opgegeven die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.