Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:13148
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,897 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19871
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
de minister van Asiel en Migratie (dan wel diens rechtsvoorgangers), (gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de Minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser betoogt dat de Minister ten aanzien van Duitsland niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser zijn er concrete aanwijzingen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, omdat er in Duitsland sprake is van structurele en systematische problemen in de opvangvoorzieningen. Eiser wijst ook op zijn onrechtmatige detentie, op dat aspect is de Minister in het bestreden besluit in geheel niet ingegaan. Verder vreest eiser door Duitsland te worden uitgezet naar Algerije. Eiser voert aan dat de Minister vanwege het voorgaande toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Dit betoog slaagt niet. De Minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het uitgangspunt is dat de Minister eiser niet mag overdragen als hij na overdracht persoonlijk te maken krijgt met een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.² Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake zal zijn bij overdracht aan Duitsland. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 3 oktober 2023³, waarvan de motivering door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is overgenomen.⁴ In die uitspraak is geoordeeld dat het AIDA-rapport over 2021 weliswaar kritische kanttekeningen bevat over de opvang in Duitsland, maar dat hieruit niet blijkt dat in Duitsland sprake is van een structurele tekortkoming in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Het is verder niet gebleken dat de detentie van eiser onrechtmatig is, zoals de Minister – anders dan eiser stelt – ook in het bestreden besluit heeft overwogen. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij persoonlijk in Duitsland van opvang verstoken zal blijven. Dit te meer nu eisers standpunt over zijn opvang in Duitsland zich niet verhoudt tot hetgeen hij daarover tijden het gehoor heeft verklaard. Daarbij komt dat wanneer eiser van mening mocht zijn dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, ligt het op de weg van eiser om daarover te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben.
Indirect refoulement
7. Ten aanzien van de vrees van eiser om te worden uitgezet naar Algerije, overweegt de rechtbank dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 30 november 2023⁵ en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.⁶ Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Dat is hier, zoals hiervoor overwogen niet aan de orde..
2 Zie HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.
3 ECLI:NL:RBDHA:2023:16539.
4 Afdeling, 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
5 HvJEU, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
6 Afdeling, 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. De rechtbank is verder van oordeel dat de Minister geen aanleiding hoeft te zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd welke persoonlijke omstandigheden maken dat Nederland de asielaanvraag onverplicht aan zich moet trekken. Dit te meer nu uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat aan omstandigheden die zijn meegewogen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel geen betekenis meer toekomt in het kader van een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 juli 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.