Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:13039
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,795 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3283
Zaaknummer: C/09/665945
Datum beschikking: 9 augustus 2024
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 7 mei 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Emeis in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift met zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van 17 juni 2024 van de moeder, met bijlage;
het F9-formulier van 12 juli 2024 van de moeder, met bijlagen;
het F9-formulier van 18 juli 2024 van de vader, met bijlagen;
het F9-formulier van 19 juli 2024 van de vader, met bijlage.
Op 23 juli 2024 is de zaak op de zitting behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavige verzoeken, als de informele rechtsingang (C/09/665506 en FA RK 24-3076). In laatstgenoemde procedure heeft de rechtbank een brief geschreven aan de minderjarige [de minderjarige] .
Op de zitting zijn verschenen:
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest van [dag 1] 2012 tot [dag 2] 2014.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] .
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij de moeder.
Volgens uittreksels uit de Basisregistratie Personen hebben de moeder en de vader in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van 10 oktober 2014 van deze rechtbank – voor zover relevant – is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken en is bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
een weekend in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen.
- Bij beschikking van 27 november 2020 van deze rechtbank – voor zover relevant – is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald conform aangehecht petitum van het gewijzigd verzoekschrift van 14 oktober 2020, bestaande uit één dubbelzijde pagina, vanaf ‘Redenen waarom’, inhoudende dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
een weekend in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
de helft van de vakanties en feestdagen, conform het door de moeder verzochte schema.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
de vader het recht op (naar de rechtbank begrijpt) contact met [de minderjarige] voor onbepaalde tijd te ontzeggen;
de Raad te gelasten onderzoek te doen naar welke zorgregeling in het belang van de veiligheid en goede ontwikkeling van [de minderjarige] gewenst is.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- met wijziging van de beschikking van 27 november 2020 van deze rechtbank, de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de vader [de minderjarige] op vrijdagmiddag voorafgaand aan het contactweekend van school zal ophalen en hem op zondag om 19.00 uur weer bij de moeder zal terugbrengen.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Uit de stukken en uit dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende gebleken. Tot maart 2024 werd uitvoering gegeven aan de bij beschikking van 27 november 2020 vastgestelde zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] . De vader verbleef in maart 2024 in Japan. Op 27 maart 2024 werd er via de creditcard van de vader, die onder meer gekoppeld is aan de telefoon van [de minderjarige] , ongeveer € 180,- in rekening gebracht voor telefoonspelletjes. De vader heeft hierover contact gezocht met de moeder, die aan hem aangaf dat hij dit zelf moest oplossen met [de minderjarige] . Deze reactie maakte de vader boos, temeer omdat [de minderjarige] eerder die week brutaal was geweest richting beide ouders en hij daarom niet meer mocht gamen. Op 30 maart 2024 werden er opnieuw bedragen in rekening gebracht voor telefoonspelletjes via de creditcard van de vader. Toen de vader [de minderjarige] daar telefonisch op aansprak, ontkende [de minderjarige] dat hij spelletjes had gekocht. Daarmee rees bij de vader de verdenking dat de moeder hierachter zat. De vader heeft toen een – naar eigen zeggen, maar dat oordeel is ook de rechtbank toegedaan – lelijk bericht via WhatsApp naar de moeder gestuurd. Dit ‘Japan-incident’ is voor de moeder de druppel geweest. Volgens haar is al jaren sprake van druk vanuit de vader richting de moeder en [de minderjarige] . Dit in combinatie met dat [de minderjarige] na dit incident aan haar heeft aangegeven dat hij niet meer naar de vader wil gaan, omdat hij door hem wordt geslagen en er wordt geschreeuwd tegen hem, maakt dat de moeder vindt dat er op dit moment geen contact tussen de vader en [de minderjarige] kan zijn. De moeder is niet tegen contact, maar zij vindt het belangrijk dat [de minderjarige] nu eerst rust krijgt en zich veilig kan voelen in het contact met de vader.
De moeder heeft op 10 april 2024 per e-mail aan de vader kenbaar gemaakt dat [de minderjarige] niet meer naar de vader toe wil en dat zij [de minderjarige] niet wil forceren. Op 11 april 2024 heeft de moeder daadwerkelijk aangifte gedaan tegen de vader van mishandeling van [de minderjarige] . De vader betwist dat hij [de minderjarige] heeft mishandeld en stelt dat het ‘Japan-incident’ een geïsoleerd incident was. De vader wil graag dat het contact tussen hem en [de minderjarige] spoedig wordt hersteld, maar realiseert zich dat de ouders en [de minderjarige] hier hulp bij nodig hebben.
De rechtbank is – net als de Raad – van oordeel dat contact tussen de vader en [de minderjarige] in beginsel in het belang van [de minderjarige] is, maar dat daarbij de veiligheid van [de minderjarige] moet worden gewaarborgd. Zoals op de zitting al is besproken met de ouders, maakt de rechtbank zich daar zorgen over. [de minderjarige] heeft zelf via een brief aan de rechtbank en in een gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij niet meer naar de vader wil, omdat de vader hem slaat en er tegen hem wordt geschreeuwd door de vader en zijn nieuwe vriendin. Dat er zorgen zijn over (de veiligheid van) [de minderjarige] , wordt ook gedeeld door Veilig Thuis die betrokken zijn geweest na de aangifte van de moeder van 11 april 2024. Veilig Thuis geeft in de brief van 19 juli 2024 onder meer het volgende aan: “Zorgen: [de minderjarige] heeft geen contact meer met zijn beide ouders, het contact met de vader is plotseling verbroken sinds maart 2024. [de minderjarige] heeft ervaren en aangegeven in een kindgesprek met Veilig Thuis dat hij verbaal en fysiek geweld heeft meegemaakt door zijn vader naar hem toe. Advies: [de minderjarige] heeft last van onrust en angst met mogelijk loyaliteitsproblematiek. [de minderjarige] zou naast schoolmaatschappelijk werk profijt kunnen hebben van jeugdhulp. Wanneer het contactherstel bij de vader opgebouwd wordt, zal dit uitgevoerd moeten worden binnen een professionele setting middels begeleide omgang. U [de vader] zou profijt kunnen hebben van deelname aan een training via Reclassering Nederland bij De Carousselgroep. Eindconclusie: de gemelde zorgen zijn bevestigd. Aard geweld/mishandeling: fysiek, verbaal en psychisch geweld tussen ouders waarbij [de minderjarige] getuige is. Wij denken dat overdrachstpartij Kracht Den Haag u goed kan helpen om de veiligheid te verbeteren.”
Om de veiligheid van [de minderjarige] in het contactherstel met de vader te kunnen waarborgen, acht de rechtbank hulpverlening in de vorm van begeleide omgang noodzakelijk. Op de zitting heeft de Raad vanwege de wachtlijsten een tweesporenbeleid geadviseerd: een begeleide omgangstraject via Kracht Den Haag en een verwijzing door de rechtbank naar het traject Omgangsbegeleiding. De ouders kunnen zich in dit tweesporenbeleid vinden. De ouders zijn al bekend bij Kracht Den Haag en beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding via een verwijzing van de rechtbank. De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige] in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 24 juli 2024 al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank uiterlijk twee weken voor de pro forma datum te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat moet de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd aan de Raad zenden. Aan de hand van de eindrapportage moet de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om in ieder geval een concreet advies over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] te geven. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Dit betekent dat het contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] de komende periode zal verlopen via een omgangsbegeleidingstraject van ofwel Kracht Den Haag of de uitvoerende hulpverleningsinstantie naar aanleiding van de verwijzing van de rechtbank. Daarbij is het belangrijk dat het contact rustig, op het tempo van [de minderjarige] wordt hersteld. De rechtbank laat de opbouw van het contact over aan de expertise van de betrokken medewerkers.
De rechtbank ziet in afwachting van de omgangsbegeleiding geen mogelijkheden om een voorlopige zorg- of (video)belregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit moeilijk is voor de vader acht de rechtbank dit nu - gelet op de zorgen over [de minderjarige] - niet in zijn belang.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het raadsonderzoek pro forma aanhouden tot 1 januari 2025 in afwachting van de uitkomsten van het traject Omgangsbegeleiding.
Brief aan [de minderjarige]
De rechtbank heeft [de minderjarige] een brief geschreven om de beslissingen van de rechtbank uit te leggen. De inhoud van de brief luidt als volgt:
“Beste [de minderjarige] ,
Op 21 mei 2024 heb jij met een andere kinderrechter gesproken.
Dictum
De rechtbank:
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder] (de moeder),
wonende in [postcode 1] , [woonplaats 1] aan de [adres 1]
en
[de vader] (de vader),
wonende in [postcode 2] , [woonplaats 2] , aan het [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum moeten informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van wat de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het raadsonderzoek en de proceskosten aan tot 1 januari 2025 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 augustus 2024.