Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:13035
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,555 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.21164
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Hanna),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.
Inleiding
Eiser heeft op 24 juli 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 8 januari 2022.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit op de asielaanvraag moet nemen. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw geldt een uitzondering als in het kader van de asielaanvraag wordt onderzocht of op grond van de Dublinverordening een andere lidstaat voor de behandeling van de aanvraag verantwoordelijk is. In zo’n geval vangt de beslistermijn van verweerder aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Hierbij mag de maximale termijn van 21 maanden die volgt uit artikel 35, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, niet worden overschreden.
3. Eiser heeft op 8 januari 2022 een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 2 augustus 2022 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Dit besluit is met de uitspraak van deze rechtbank van 24 augustus 2022 in rechte vast komen te staan. Nederland is op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening alsnog op 4 september 2022 verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag, omdat verweerder hem niet tijdig heeft overgedragen aan Oostenrijk. Bij brief van 6 september 2022 heeft verweerder de vreemdeling meegedeeld dat hij geen asielprocedure open heeft staan en hem de gelegenheid gegeven binnen twee weken een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Eiser heeft op 9 november 2022 een tweede asielaanvraag ingediend. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024 volgt echter dat verweerder niet van eiser mocht verlangen dat hij een nieuwe asielaanvraag indiende, maar dat hij, als gevolg van het verstrijken van de overdrachtstermijn, alsnog definitief op de asielaanvraag van 8 januari 2022 dient te beslissen.
4. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in geval van eiser op 4 maart 2023 eindigen. De staatssecretaris heeft met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser op 4 december 2023 is geëindigd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. De omstandigheid dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof, vormt geen aanleiding om de zaak aan te houden tot het Hof die vragen heeft beantwoord.
5. Eiser heeft verweerder op 10 juli 2023 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat maakt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend en niet geldig is. Nu niet aan de vereisten van artikel 6:12 van de Awb is voldaan, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 13 augustus 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
NL22.15004 en NL22.15005.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:881.
Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.
ECLI:NL:RBDHA:2023:3698, ECLI:NL:RBDHA:2023:3697 en ECLI:NL:RBDHA:2023:3701.
Verwijzingsuitspraak 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125.
Hof van Justitie van de Europese Unie.