Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:12893
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,504 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3677
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Epema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen 1) het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift en 2) het alsnog genomen besluit waarbij de mvv-aanvraag van eiseres is afgewezen.
1.1.
Verweerder heeft de mvv-aanvraag van eiseres met het besluit van 17 mei 2023 afgewezen. Op 1 februari 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift. Met het besluit van 29 februari 2024 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaarschrift van eiseres en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent ( [referent] ), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend om bij haar partner (referent) in Nederland te verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Zij komt volgens verweerder ook niet in aanmerking voor ontheffing van het inburgeringsvereiste. Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij zich lang genoeg heeft ingezet en alles heeft gedaan om voor de betreffende onderdelen van het inburgeringsexamen te slagen. Ook is de afwijzing volgens verweerder niet in strijd met het recht van eiseres om haar familie- en gezinsleven uit te oefenen. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt, maar deze is in het nadeel van eiseres uitgevallen. Tot slot vindt verweerder dat toepassing van het inburgeringsvereiste niet in strijd is met het verbod op discriminatie.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres betoogt dat verweerder haar ten onrechte geen ontheffing heeft verleend van het inburgeringsvereiste. Ondanks al haar pogingen en inzet lukt het niet om voor het examen te slagen. Zij heeft haar inspanningen met documenten onderbouwd. Het inburgeringsvereiste maakt het voor haar onmogelijk of uiterst moeilijk om het recht op gezinshereniging uit te oefenen. Bovendien is het inburgeringsvereiste in strijd met onder meer het verbod op discriminatie. Er wordt namelijk op basis van nationaliteit een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen onderdanen van landen die zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste en onderdanen van landen die niet zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Zij verwijst hiervoor naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en Amsterdam. Tot slot vindt eiseres het besluit in strijd met haar recht om het familie- en gezinsleven met haar partner uit te oefenen. In dit kader wijst zij er nog op dat een afwijzing ertoe leidt dat haar Nederlandse partner gedwongen wordt om het grondgebied van de EU te verlaten. Dat is in strijd met artikel 20 van het VWEU.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen 4.De rechtbank stelt vast dat verweerder op 29 februari 2024, buiten de beslistermijn, alsnog op het bezwaar heeft beslist. Nu verweerder op het bezwaar heeft beslist, is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, komen te vervallen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit 5.Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
5.1.
Verweerder is niet aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Eiseres is het niet eens met het alsnog genomen besluit. Het beroep is daarom van rechtswege mede gericht tegen het alsnog genomen besluit.Het verbod op discriminatie
5.2.
De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond van eiseres over het verbod op discriminatie de meest verstrekkende beroepsgrond is. Dat betoog komt er namelijk op neer dat het inburgeringsvereiste hoe dan ook niet is toegestaan in verband met het verbod op discriminatie. De rechtbank zou deze beroepsgrond normaal gesproken als eerste beoordelen. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank tijdens de zitting echter verzocht om eerst in te gaan op de beroepsgrond over de ontheffing van het inburgeringsvereiste. In een andere soortgelijke procedure loopt momenteel namelijk een hoger beroep bij de hoogste bestuursrechter waarin de vraag voorligt of het inburgeringsvereiste in strijd is met het verbod op discriminatie, waardoor een eventueel hoger beroep van eiseres waarschijnlijk een behoorlijke tijd stil zal komen te liggen. Dat is niet in het belang van eiseres. Verweerder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgestelde volgorde van behandeling. De rechtbank ziet in dit specifieke geval daarom aanleiding om eerst in te gaan op het betoog over de ontheffing van het inburgeringsvereiste.
Ontheffing van het inburgeringsvereiste
5.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is daarom gegrond. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.4.
Verweerder heeft eiseres geen ontheffing verleend, omdat zij zich – kort gezegd – onvoldoende heeft ingespannen om voor het examen te slagen. Volgens verweerder mocht van eiseres in redelijkheid meer worden verwacht. In de kern werpt verweerder vooral tegen dat eiseres weliswaar heeft aangetoond dat zij zich op het eerste examen heeft voorbereid, maar dat zij onvoldoende met stukken heeft onderbouwd en geconcretiseerd hoe zij zich heeft voorbereid op de examens die zij daarna heeft gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder meer tegengeworpen dat eiseres geen verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij na het eerste examen bijlessen heeft gevolgd. De overgelegde stukken die de zelfstudie door eiseres moeten onderbouwen vindt verweerder ook onvoldoende, omdat het om algemeen studiemateriaal gaat waaruit niet concreet blijkt wie het gebruikt heeft en wanneer het gebruikt is.
5.5.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit niet alle overgelegde stukken van eiseres zichtbaar heeft betrokken. In het bestreden besluit stelt verweerder dat eiseres geen verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij na het eerste examen bijlessen heeft gevolgd. De rechtbank stelt vast dat dit niet klopt. Eiseres heeft bij haar bezwaarschrift een aantal nieuwe stukken overgelegd. Een van die stukken is een nieuwe verklaring van een taaldocent van 7 juni 2023 waaruit blijkt dat eiseres wel degelijk bijlessen heeft gevolgd ná het eerste examen. De taaldocent vermeldt bovendien dat eiseres haar best deed tijdens de lessen. Zij was altijd aanwezig, gemotiveerd en deed goed mee in de lessen. Ook geeft de taaldocent aan dat eiseres goed oefende met referent. Verweerder heeft deze verklaring ten onrechte niet kenbaar betrokken. De conclusie dat eiseres onvoldoende heeft geconcretiseerd hoe zij zich op de latere examens heeft voorbereid, is alleen hierdoor al onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand gekomen.
Verweerder is ook in het verweerschrift niet ingegaan op de verklaring van 7 juni 2023 en heeft daarin volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder, opnieuw onder verwijzing naar het bestreden besluit, nogmaals benadrukt dat de afwijzing vooral is gebaseerd op de omstandigheid dat eiseres alleen met stukken heeft onderbouwd welke inspanningen zij voor het eerste examen heeft geleverd, en dat onduidelijk is gebleven welke inspanningen zij daarna nog heeft verricht. Over de verklaring van de taaldocent van 7 juni 2023 heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting toegelicht dat eiseres met die verklaring nog niet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk bijlessen heeft gehad en dat er niet duidelijk uit volgt wanneer die dan zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu de betreffende verklaring is afgegeven door een docent van de taalschool, de gemachtigde van verweerder onvoldoende heeft toegelicht waarom deze verklaring niet objectief zou zijn, en in de verklaring staat dat eiseres voor de vierde keer, dus voor het vierde examen, nog vier extra bijlessen van ander half uur heeft gevolgd.
5.6.
De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel wat de taaldocenten in de verschillende verklaringen hebben aangegeven over de inspanningen die eiseres heeft verricht, waaronder over de zelfstudie.
Conclusie
6. Het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, is niet-ontvankelijk. Verweerder heeft met het dwangsombesluit van 29 februari 2024 al vastgesteld dat hij eiseres € 1442,- moet betalen. De rechtbank zal daarom geen dwangsom meer vaststellen.
7. Het beroep is gegrond voor zover dit is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres en zal daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank vindt een termijn van 6 weken in dit geval passend.
8. Omdat het instellen van het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet zonder reden was, krijgt eiseres daarvoor een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 437,50 (1 punt x factor 0,5 x € 875,-). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak, voor zover het gaat om het niet tijdig nemen van een beslissing, van licht gewicht is. Het gaat namelijk alleen maar over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
9. Omdat het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, gegrond is, krijgt eiseres daarvoor ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde per punt van € 875,-).
10. In totaal moet verweerder dus proceskosten van eiseres vergoeden tot een bedrag van € 2.187,50,-.
11. Verweerder zal ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- aan haar moeten vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van eiseres, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het alsnog genomen besluit, gegrond;
vernietigt het alsnog genomen besluit;
draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een totaalbedrag van € 2.187,50,-;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 (Vreemdelingenwet 2000).
Artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Artikel 14 van het EVRM.
Artikel 14 van het EVRM.
Inburgering in het buitenland geldt niet als vereiste voor deze groep.
De uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:622.
De uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.
Artikel 8 van het EVRM.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Algemene wet bestuursrecht.
Voor inburgering in het buitenland.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Een na laatste alinea op pagina 3 van het bestreden besluit.
Dit wordt ook bevestigd in een e-mail van de taaldocent van 13 maart 2024 die eiseres in beroep heeft overgelegd.
Cursivering door de rechtbank.