Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:12630
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,973 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3578
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] (hierna afzonderlijk: eiser),
[eiser 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6]
, uit Afghanistan, tezamen eisers
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 25 april 2023 waarbij verweerder bij de afwijzing van het verzoek om overbrenging naar Nederland is gebleven.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft via een telefoonverbinding deelgenomen. De gemachtigde van eiser was aanwezig. Als tolk was A.J. Omarkhel aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1].
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te hebben gewerkt als extension worker van 19 februari 2015 tot 31 december 2016 voor het Dutch Committee for Afghanistan (DCA). Op 12 september 2021 heeft eiser verzocht om hem en zijn gezinsleden over te brengen naar Nederland. Zowel eiser als [naam 2] namens de gemachtigde van eisers hebben dit verzoek meermaals herhaald. Dit verzoek is afgewezen, omdat eiser volgens verweerder niet voor overbrenging in aanmerking komt. Eiser is niet opgeroepen tijdens de acute evacuatiefase, en behoort niet tot één van de twee groepen waarvoor een speciale voorziening is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 (de Kamerbrief). Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de organisatie waarvoor eiser heeft gewerkt niet onder de speciale voorziening valt. Een van de voorwaarden daarbij is dat een Nederlandse ngo financiering heeft ontvangen ten laste van de begroting van Buitenlandse Zaken/Buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking (BZ/BHOS) ter uitvoering van een project op het gebied van sociale vooruitgang, vrede en veiligheid of duurzame ontwikkeling. In het geval van DCA is hier niet aan voldaan, omdat zij sinds 2011 geen financiering hebben ontvangen uit de BZ/BHOS-begroting. Ten slotte is volgens verweerder geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat hij wel valt onder de eerste groep waarvoor een speciale voorziening is getroffen, omdat DCA is gefinancierd vanuit de BZ/BHOS-begroting. Dat DCA sinds 2011 geen financiering meer heeft ontvangen, doet hier niet aan af, omdat in de Kamerbrief niet kan worden gelezen dat de subsidiëring ook vanaf 2018 nog steeds zou moeten lopen. Ook heeft DCA een vestiging in Nederland. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat andere werknemers van DCA zijn overgebracht in oktober 2021. Daarnaast beroept hij zich op het evenredigheidsbeginsel. Eiser stelt, gelet op wat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld over het vereiste van de periode van werkzaamheden van één jaar, dat van het vereiste – een bericht te hebben gekregen om naar het vliegveld te gaan in de zin van de Kamerbrief – in bijzondere omstandigheden mag worden afgeweken. Volgens eiser doen dergelijke omstandigheden zich voor, omdat hij voldoet aan de criteria van de motie Belhaj, andere medewerkers van DCA wel zijn geëvacueerd en hij in gevaar is. Daarnaast stelt eiser dat los van het evenredigheidsbeginsel de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen, omdat hij in gevaar is, er geen sprake is van belangen van derden en mede gelet op het asielbeleid. Verder heeft de Kamerbrief niet de status van beleidsregel, maar van een vaste gedragslijn. Ook heeft verweerder de hoorplicht geschonden door eiser niet te horen over zijn bezwaarschrift. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser ten slotte naar een artikel in het dagblad Trouw.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Het beleid en toetsingskader voor overbrenging van personen uit Afghanistan is neergelegd in de Kamerbrief. In die brief wordt een speciale voorziening getroffen voor twee afgebakende groepen die, naast personen die ten tijde van de acute evacuatiefase al waren opgeroepen, voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen.
4.1.
Het gaat hierbij onder meer om medewerkers (en hun kerngezinnen) van een ten laste van de BZ/BHOS-begroting gefinancierd project op het gebied van sociale vooruitgang, vrede en veiligheid of duurzame ontwikkeling. Medewerkers kunnen worden aangedragen door in Nederland gevestigde ngo’s als zij sinds 1 januari 2018 tenminste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor het desbetreffende ontwikkelingsproject in een publieke, zichtbare functie. De ngo’s zullen worden uitgenodigd om medewerkers die aan deze criteria voldoen voor te dragen.
4.2.
Ook personen (en hun kerngezin) die in de afgelopen twintig jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie komen in aanmerking. Zij moeten kunnen aantonen dat zij ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor Defensie en/of voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.
4.3.
Over dit beleid heeft de Afdeling twee richtinggevende uitspraken gedaan. Geoordeeld is dat het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid, waarbij het kabinet veel beleidsruimte heeft. Het stond het kabinet daarom vrij om vereisten vast te stellen zodat de groepen waarop de begunstiging van toepassing is duidelijk konden worden afgebakend. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Als de minister de overkomst van personen die buiten dit beleid vallen niet faciliteert schendt hij niet hun fundamentele rechten. Ook niet als de Taliban dat mogelijk wel doen. Een beroep op het recht op leven en het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in het EVRM en het IVBPR slaagt niet omdat deze verdragen Nederland niet verplichten tot evacuatie van personen. Het beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Bij de toepassing van het beleid moet er wel aandacht zijn voor gevallen waarin iemand bijvoorbeeld net niet onder de omschrijving van een groep in het beleid valt, en dit tot een inconsistente toepassing van het beleid leidt waarvoor geen goede motivering gegeven is. Ook mag verweerder niet strikt vasthouden aan de minimumperiode van een jaar als zich bijzondere omstandigheden voordoen. De rechtbank leidt uit de in de aangehaalde jurisprudentie genoemde omstandigheden af dat er voor een persoon die behoort tot een van de twee doelgroepen maar die niet gedurende de minimumperiode structureel substantiële werkzaamheden heeft verricht een verplichting tot evacuatie kan bestaan. Dat is het geval als gezegd kan worden dat die persoon door de aard van de werkzaamheden (high profile) in een kortere periode zodanig in een voor het publiek zichtbare functie is geweest dat consistente toepassing van dit vereiste meebrengt dat zijn situatie vergelijkbaar is met een persoon die daarin ten minste een jaar heeft gewerkt.
5. De rechtbank zal wat in beroep is aangevoerd beoordelen aan de hand van het hiervoor onder 4 tot en met 4.3 weergegeven kader. Daarbij wijst de rechtbank er op dat uit hetgeen onder 4.3 is opgenomen, volgt dat de mate van gevaar die een aanvrager stelt te lopen niet kan worden meegewogen.
5.1.
Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 22 februari 2023 was de motie Belhaj gekoppeld aan de acute evacuatiefase en is de motie niet meer onverkort in werking sinds de beëindiging van de evacuatiefase op 26 augustus 2021. Daarop is alleen een uitzondering gemaakt voor de personen die reeds waren opgeroepen voor evacuatie in het kader van die motie. In de Kamerbrief staat dat het daarbij alleen gaat om diegenen die tijdens de acute evacuatiefase niet konden worden geëvacueerd, terwijl ze daarvoor wel waren opgeroepen. De Afdeling gaat daar in haar uitspraak van 22 februari 2023 ook vanuit. Eiser is tijdens de evacuatiefase niet opgeroepen en hij kan daarom ook geen rechten ontlenen aan de motie Belhaj.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet binnen de reikwijdte van de in de Kamerbrief omschreven groepen valt. Het is een beleidskeuze van het kabinet geweest om voor de twee in de Kamerbrief genoemde groepen een speciale voorziening te treffen. Deze beleidskeuze kan in rechte slechts terughoudend worden getoetst. Verweerder heeft daarbij een keuze gemaakt voor medewerkers van ngo’s waaraan het financieringscriterium is gekoppeld.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder zich niet hoeft in te spannen om eiser en zijn gezinsleden over te brengen naar Nederland. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.
Non-gouvernementele organisatie.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718 en ECLI:NL:RVS:2023:719.
Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:175 en van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2164.
Zie de uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2023:718 overweging 4 en 4.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2023:718 overweging 4.4.
Zie de uitspraken van de Afdeling met nummers ECLI:NL:RVS:2023:718 overweging 4.3 en ECLI:NL:RVS:2023:719 overweging 5.1.
Zie de uitspraak van deze rechtbank met nummer ECLI:NL:RBDHA:2023:2164.
Zie de uitspraak van deze rechtbank met nummer ECLI:NL:RBDHA:2023:2164, r.o. 13.