Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:12582
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,490 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6118
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk
(gemachtigde: mr. S.K. Rijvers-Jagernath).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde partij] uit [woonplaats] ([derde partij]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor transformeren van een tuinhuis naar een gastenverblijf (B&B) op het perceel [adres] (hierna: het perceel) in [plaats].
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 3 december 2021 een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het tuinhuis als gastenverblijf. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2022 op het bezwaar van [derde partij] is verweerder teruggekomen van de verlening van de omgevingsvergunning en is het besluit van 3 december 2021 herroepen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [naam].
Waar gaat de zaak over?
2. Verweerder heeft op 3 december 2021 een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een tuinhuis naar een gastenverblijf (bed & breakfast). Op grond van van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is daarmee afgeweken van de regels van de beheersverordening “Elsenburgerbos-TNO/Pasgeld” (hierna: de beheersverordening).
2.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning alsnog geweigerd, naar aanleiding van het bezwaar van [derde partij]. Volgens verweerder is verlening van de omgevingsvergunning niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Het gebruik als gastenverblijf zal de privacy en daarmee het woongenot van [derde partij] op onaanvaardbare wijze aantasten, aldus verweerder.
2.2.
Eiser is van mening dat het voorgestane gebruik van het gastenverblijf niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en betoogt dat de verleende omgevingsvergunning in stand had moeten blijven. Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de weigering van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.Kan de koper van het perceel als partij deelnemen aan het geding?
5. [naam] (hierna: [naam]) is op zitting verschenen en heeft meegedeeld dat hij het perceel Jaagpad 148c (hierna: het buurperceel) van [derde partij] heeft gekocht en daarvan per 12 juli 2024 – na de op die datum beoogde overdracht – eigenaar zal zijn. Volgens [naam] was het aanvankelijk de bedoeling dat hij samen met de [derde partij] naar de zitting zou komen, maar omdat de [derde partij] zich heeft teruggetrokken is hij alleen naar de zitting gekomen.
5.1.
Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende als partij deelnemen aan een geding. [derde partij] heeft zich in deze procedure als belanghebbende gemeld en is als partij toegelaten tot het geding. De rechtbank heeft geen bericht van [derde partij] ontvangen dat hij niet langer partij in deze procedure wil zijn. In de mededeling van [naam] van de verkoop en aanstaande overdracht van het buurperceel ziet de rechtbank geen aanleiding om [derde partij] niet langer als belanghebbende aan te merken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat [naam] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en daarom niet als partij kan deelnemen aan dit geding. [naam] heeft geen rechtstreeks, maar een afgeleid belang bij het bestreden besluit. Het belang van [naam] loopt parallel met dat van [derde partij] en hij is op dit moment alleen via een contractuele relatie bij het bestreden besluit betrokken.
Toetsingskader
6. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van de beheersverordening een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Mocht verweerder de gevraagde omgevingsvergunning alsnog weigeren?
7. Eiser betwist het standpunt van verweerder dat een gastenverblijf niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder onderkent niet dat de aanvraag ziet op een klein gastenverblijf met maximaal twee slaapplaatsen, dat is bestemd voor verblijf van familie. Toeristen zullen daarom vrij beperkt gebruik maken van het gastenverblijf en de toegangsweg. Vergunningsvrij of met een lichte procedure kan eiser twee extra slaapplaatsen aan zijn woning toevoegen, en dat zou leiden tot een zelfde toename van het gebruik van de toegangsweg.
7.1.
De vrees dat bezoekers het buurperceel onbevoegd zullen betreden is volgens eiser niet gegrond. Ook zonder erfafscheiding is overduidelijk sprake van twee verschillende percelen. Bovendien is eiser bereid om maatregelen te treffen om onbevoegde toegang tot het buurperceel te voorkomen. Verder betoogt eiser dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesteld dat het gastenverblijf dichter bij de woning op het buurperceel staat, dan bij de woning van eiser. Die afstand is ongeveer gelijk. Het is onbegrijpelijk dat verweerder deze afstand heeft meegewogen in de belangenafweging, omdat verweerder een vergunning heeft verleend voor transformatie van de reinwaterkelder op het buurperceel tot een woning. Die woning wordt dichtbij de woning van eiser gerealiseerd, dan wel dichter bij de bestaande woning op het buurperceel.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot weigering van de omgevingsvergunning en overweegt daarover het volgende.
7.3.
Bezoekers zullen het gastenverblijf alleen kunnen bereiken via de tot het buurperceel behorende toegangsweg en gaan daarbij langs de woning op het buurperceel. Het is aannemelijk dat dit zal leiden tot meer verkeersbewegingen dan in een situatie zonder gastenverblijf. Ook bestaat – naar niet is betwist – vanuit het gastenverblijf zicht op de woning en voortuin op het buurperceel. De rechtbank kan verweerder daarom volgen in het standpunt dat een gastenverblijf ten koste zal gaan van het besloten karakter van de woonfunctie en een reële aantasting van de privacy van de bewoners van het buurperceel met zich kan brengen. Daarbij is van belang dat – anders dan eiser betoogt – niet kan worden aangenomen dat toeristen slechts beperkt gebruik zullen maken van het gastenverblijf.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2024.
De griffier is verhinderdde uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:442.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:820 (onder 7.)
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:34 (onder 4.1.).