Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:12553
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
728 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23805
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Bij brief van 23 juli 2024 heeft verweerder meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft op 23 juli 2024 de gemachtigde van eiser verzocht kenbaar te maken of hij nog recent contact heeft gehad met eiser en hij op de hoogte is van zijn verblijfplaats. Bij brief van 25 juli 2024 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij sinds 18 juli 2024 geen contact meer heeft met eiser en dat hij niet beschikt over stukken of informatie waarmee hij in twijfel kan trekken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat inmiddels in de stukken zich ook een melding bevindt dat eiser met ingang van 18 juli 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.