Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:12524
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,496 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.20905
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
Eiser heeft op 20 januari 2021 een asielaanvraag ingediend.
Bij besluit van 9 april 2021 heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op 11 februari 2022 zijn besluit van 9 april 2021 ingetrokken. Vervolgens heeft eiser het beroep ingetrokken.
Eiser heeft op 20 juli 2023 het onderhavige beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Uit artikel 42, zesde lid, van de Vw volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment waarop is komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. Van dat moment is in elk geval sprake als de uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Dat moment kan zich ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit de zaak aan zich te houden of als door feiten en omstandigheden blijkt dat de verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.
3. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 15 december 2021 bepaald dat ten aanzien van Malta niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat vreemdelingen niet meer op grond van de Dublinverordening mogen worden overgedragen aan Malta zonder onderzoek te doen naar de actuele feiten en omstandigheden. In ieder geval dient onderzoek te worden gedaan naar de detentieomstandigheden, opvangvoorzieningen en toegang tot rechtshulp voor vreemdelingen in Malta.
4. Dit betekent dat het vanaf dit moment voor verweerder duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht van eiser aan Malta niet mogelijk was en verweerder verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
5. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in geval van eiser op 15 mei 2022 eindigen. Eiser stelt de Sudanese nationaliteit te hebben. Verweerder heeft een besluitmoratorium ingesteld voor onder andere lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Sudan. Dit geldt vanaf 24 februari 2022. Het besluitmoratorium is in eerste instantie ingesteld voor een periode van zes maanden en is op 24 september 2022 verlengd met zes maanden. Ten tijde van de instelling van het besluitmoratorium had eiser een lopende asielaanvraag en valt daarmee onder het bereik van dit besluitmoratorium. Daar komt bij dat de aanvraag van eiser ook valt onder het bereik van WBV 2022/22, als gevolg waarvan de beslistermijn met nog eens negen maanden is verlengd. Hierbij mag de maximale termijn van 21 maanden die volgt uit artikel 35, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, niet worden overschreden. De wettelijke beslistermijn eindigt daarmee voor eiser op 15 augustus 2023.
6. Eiser heeft verweerder op 3 juli 2023 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Daarom is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:2791.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Op grond van artikel 8:54 van de Awb.
In Staatscourant 2022 nr. 8013; in werking getreden 24 februari 2022.
In Staatscourant 2022 nr. 24719; in werking getreden 24 september 2022.
Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.