Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:12514
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,400 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9630
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van Twillert).
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Kebe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1994.
Waarover gaat deze uitspraak?
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder de maatregel van bewaring rechtmatig aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Is er ten onrechte geen gebruik gemaakt van een niet-beëdigde tolk?
3. Eiser voert aan dat hij voorafgaand aan de maatregel is gehoord met behulp van een niet-beëdigde tolk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk.
3.1
Op grond van artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die niet beëdigd is als wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of als het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat artikel 28, derde lid, van de Wbtv voor de motivering de eis stelt dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet beëdigde tolk schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in dat lid vermelde redenen moet zijn. In het geval een beëdigde tolk niet beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet dan toelichten om welke reden geen beëdigde tolk beschikbaar was. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hieraan niet is voldaan.
3.2
Het voorgaande betekent dat aan de maatregel van inbewaringstelling een gebrek kleeft. Dit betekent echter niet zonder meer dat de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig is. De maatregel is pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Dat oordeel motiveert de rechtbank als volgt.
3.3
Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt niet dat eiser de tolk niet goed heeft verstaan of begrepen of dat hij zijn verklaringen niet goed naar voren heeft kunnen brengen. Niet blijkt dat sprake is geweest van communicatieproblemen tussen eiser en de tolk. Ook op zitting heeft eiser niet geconcretiseerd op welke punten dit het geval zou zijn geweest. Dat betekent dat eiser door het voormelde gebrek niet, althans ernstig in zijn verdedigingsbelang is getroffen. Dit terwijl eiser de gronden waarop de maatregel berust niet heeft bestreden en verweerder met deze voldoende heeft gemotiveerd dat het risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en dat aan het belang van verweerder bij de inbewaringstelling van eiser een zwaarder gewicht toekomt. Het gebrek maakt de maatregel niet onrechtmatig.
Zijn er andere redenen om de maatregel onrechtmatig te achten?
4. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
5.1
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:1395.