Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:12394
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2236
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C. Herrewijnen),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. V.N. Chaudron).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen het niet tijdig
beslissen op zijn aanvraag voor een VOG.
1.1.
Eiser heeft naast dit beroep op 16 april 2024 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 24/2715).
1.2.
Verweerder heeft stukken en een reactie ingediend.
1.3.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Tegen het niet tijdig beslissen staat beroep bij de rechtbank open.
2.1.
Eiser heeft op 10 januari 2024 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een VOG met het oog op de functie van concierge bij de Stichting [naam stichting] te [plaatsnaam] . Bij brief van 7 maart 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken een besluit op zijn aanvraag te nemen.
2.2.
Bij brief van 20 maart 2024 heeft verweerder eiser megedeeld het voornemen te hebben om deze aanvraag af te wijzen. Dit is nog geen definitief besluit en eiser is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen dit voornemen naar voren te brengen.
Eiser heeft op 27 maart 2024 zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.
2.3.
Eiser heeft dit beroep ingesteld op 21 maart 2024. Hij heeft aangevoerd dat zijn benoeming in de functie bij deze potentiële werkgever ‘on hold’ staat. Als niet vóór
1 mei 2024 een VOG wordt overgelegd, dan zal de werkgever op zoek gaan naar een andere kandidaat. Dit is eiser meegedeeld bij brief van 15 april 2024.
Hij vraagt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, in die zin dat verweerder wordt opgedragen per omgaande een VOG te verstrekken.
2.4.
Verweerder heeft op 25 april 2024 aan de rechtbank meegedeeld dat uiterlijk dinsdag 30 april 2024 een beslissing op de aanvraag van eiser zal worden genomen.
3. De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat de beslistermijn is verstreken op 6 maart 2024.
4. Eiser heeft verweerder op 7 maart 2024 in gebreke gesteld en de twee weken-termijn eindigde op 22 maart 2024. Nu verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen op 7 maart 2024, telt deze dag, gelet op rechtspraak, mee als eerste dag. De beslistermijn na de ingebrekestelling is verstreken op 21 maart 2024.
De rechtbank is van oordeel dat sprake van overschrijding van de beslistermijn.
5. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen zal worden vernietigd. Het onderhavige beroep is een procedureel middel, zonder materiële invulling. Het verzoek om verweerder op te dragen om aan eiser een VOG af te geven, heeft onomkeerbare gevolgen. Voor een dergelijke bepaling is, mede gelet op het karakter van deze procedure, geen plaats.
6. De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op de brief van 25 april 2024, verweerder op te dragen om uiterlijk op 30 april 2024 een besluit te nemen op de VOG-aanvraag.
7. De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
8. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag bedraagt, de daarop volgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen
€ 45,- per dag. Op grond van het derde lid van dit artikel is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
In artikel 4:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.
8.1.
Nu niet is gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen over de hoogte van de dwangsom zal de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog de hoogte van de dwangsom vaststellen.
De rechtbank is van oordeel dat een dwangsom, te rekenen per 22 maart 2024, over 36 dagen is verbeurd. Gezien het bepaalde in artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de hoogte van de verbeurde dwangsom € 1.172,- (€ 322,- + € 490,- + € 360,-).
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875, en een wegingsfactor 0,5 (licht). Deze zaak is van licht gewicht, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
10. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser dient te vergoeden.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk op 30 april 2024 alsnog een besluit bekend te
maken op de aanvraag;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- stelt op grond van artikel 4:17 van de Awb de verbeurde dwangsom vast op
€ 1.172,-;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 437,50;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken op
29 april 2024. De uitspraak is vanwege de daarmee gediende spoed eerder al aan partijen gezonden op 26 april 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Verklaring omtrent gedrag
Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:13, tweede lid, van de Awb
Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN5684)
Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb