Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:12360
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,218 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6627
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 20 augustus 2021. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser de minister niet in gebreke heeft gesteld. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot haar oordeel is gekomen.
3.1.
Niet in geschil is dat de beslistermijn van 21 maanden uit artikel 35, vijfde lid van de Procedurerichtlijn ten tijd instellen van beroep is overschreden en dat de minister daarom te laat is met beslissen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de minister op 5 oktober 2022 in gebreke heeft gesteld. Het beroep van eiser tegen het destijds bestreden besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 februari 2024 gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister toen opgedragen een nieuw besluit te nemen maar heeft daarbij geen beslistermijn gegeven. Verder is in die uitspraak geoordeeld dat de ingebrekestelling van 5 oktober 2022 prematuur was.
3.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een premature ingebrekestelling naar zijn aard niet kan worden beschouwd als ingebrekestelling. Daarmee staat vast dat eiser de minister niet rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld alvorens het onderhavige beroep wegens het niet tijdig beslissen in te stellen. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019 waaruit volgt dat een ingebrekestelling in beginsel nodig is als de rechtbank de minister opdraagt een nieuw besluit te nemen, maar daarbij geen termijn geeft.
3.2.
Eiser heeft ter zitting betoogd dat de signaleringsfunctie van de ingebrekestelling in dit geval doorslaggevend is en dat daarom geen ingebrekestelling nodig was. Verder heeft eiser erop gewezen dat de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019 daarvoor genoeg ruimte laat. De rechtbank volgt dit betoog niet. Juist omdat deze rechtbank in haar uitspraak van 3 februari 2024 geen beslistermijn heeft gegeven had het op de weg van eiser gelegen om de minister in gebreke te stellen alvorens beroep wegens het niet tijdig beslissen in te stellen. In het betoog van eiser ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van dit uitgangspunt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach – de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12538.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1146, rechtsoverweging (r.o.) 4.2.
ECLI:NL:RVS:2019:673.