Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:1233
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,010 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34629
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag.
1.1
Eiser heeft op 5 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.2
Met het bestreden besluit van 1 november 2023 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. E.G. Grigorjan als waarnemer van de gemachtigde van eiser, S. Magied als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Eiser heeft eerder dit jaar, op 29 maart 2023, een asielaanvraag ingediend bij de Poolse autoriteiten. Eiser is in Polen behandeld aan een gebroken been.
Wat heeft verweerder besloten?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als er is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder geconcludeerd dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser bij de autoriteiten van die lidstaat al eerder een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom een verzoek tot overname gedaan aan de Poolse autoriteiten. Dit verzoek is op 27 juli 2023 geaccepteerd.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn voornemen om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen gehandhaafd, omdat voor Polen nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder heeft eiser onvoldoende bijzondere, individuele omstandigheden aangetoond die op grond van artikel 17 van de Dublinverordening verweerder ertoe dwingen om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Ook de medische problematiek van eiser geeft geen aanleiding hiertoe.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser vindt dat niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan ten aanzien van Polen. Eiser vreest bij overname door Polen namelijk geen toegang te krijgen tot de asielprocedure en verwijst daarbij naar AIDA rapporten over Polen van 2021 en 2022. Nu uit deze AIDA rapporten volgt dat voor terugkerende Dublinclaimanten zoals eiser geen toegang meer tot de standaard asielprocedure bestaat, mocht verweerder geen waarde hechten aan het akkoord op het terugnameverzoek door de Poolse autoriteiten. Daarbij kan eiser zich bij voorkomende problemen met de asielprocedure of de asielopvang niet zinvol beklagen bij de Poolse autoriteiten, nu er geen sprake meer is van onafhankelijke rechtspraak in dat land.
5.1
Bovendien mag verweerder niet meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, nu er sprake is van illegale pushbacks en de onafhankelijke rechtspraak in Polen onder druk staat. Eiser verwijst in dat kader naar de prejudiciële vragen van de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch over (on)deelbaarheid van het interstatelijke vertrouwensbeginsel en de daaropvolgende uitspraken van de voorzieningenrechter van de zittingsplaatsen Roermond , ’s-Hertogenbosch en Amsterdam en die van de hoogste Nederlandse vreemdelingenrechter waarin voorlopige voorzieningen zijn toegewezen in afwachting van het antwoord op deze prejudiciële vragen. Zolang er geen antwoord is op deze vragen, zal eiser niet tijdig aan Polen kunnen worden overgedragen en is het bestreden besluit daarmee niet doelmatig en feitelijk onuitvoerbaar. Verweerder dient daarom de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.
5.2
Tot slot betoogt eiser dat overdracht aan Polen leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Eiser heeft zijn been gebroken en de eenvoudigste inspanningen leiden nog steeds tot hevige pijn. De enkele gedachte aan terugkeren naar Polen bezorgt eiser daarnaast veel angst en stress. Vanwege de slechte opvangvoorzieningen en tekortschietende medische zorg zal eiser bij overdracht aan Polen in een toestand van behoeftigheid komen te verkeren. Nu dit beeld over de opvangvoorzieningen en medische zorg voor asielzoekers bevestigd wordt in het AIDA rapport van 2022, stelt eiser dat overdracht aan Polen tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal leiden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6.1
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder ten opzichte van Polen in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Poolse autoriteiten met het expliciete claimakkoord garanderen dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen en dat aan eiser asielopvang zal worden geboden, met inachtneming van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de verschillende Europese richtlijnen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdacht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kunnen eisers objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Polen overleggen en/of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Polen. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest pas sprake is, indien de door de vreemdeling aannemelijk gemaakte tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat Polen niet aan zijn internationale verplichtingen jegens Dublinclaimanten voldoet of dat er structurele tekortkomingen aan het asielsysteem in Polen zijn die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt. De door eiser aangehaalde AIDA rapporten van 2021 en 2022 bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat niet uitgegaan kan worden van de toezegging van de Poolse autoriteiten. Hoewel niet in geschil is dat er in Polen pushbacks plaatsvinden en dit een fundamentele systeemfout in de asielprocedure is, volgt uit de door eiser overgelegde informatie niet dat deze pushbacks ook plaatsvinden tegen Dublinclaimanten. Eiser heeft, anders dan de vreemdelingen die aan de buitengrenzen van Polen met pushbacks te maken krijgen, door het expliciete claimakkoord namelijk toestemming van de Poolse autoriteiten gekregen om het grondgebied te betreden. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat eiser - ondanks deze geboden waarborgen - bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt om met een pushback te maken te krijgen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen in detentie zal worden gezet.
6.3
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de rechterlijke macht van Polen zich op dit moment niet houdt aan de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Europese richtlijnen. De rechtbank sluit zich hiervoor aan bij uitspraken van diverse zittingsplaatsen van deze rechtbank. Niet gebleken is dat eiser in Polen geen toegang heeft tot de rechter en evenmin dat het voor Poolse rechters onmogelijk of uiterst moeilijk is om in vreemdelingenrechtelijke zaken onafhankelijk en/of onpartijdig recht te spreken. Ook blijkt hieruit niet dat eiser in Polen geen effectief rechtsmiddel zal hebben of dat het onmogelijk is voor eiser om zich in Polen over voorkomende problemen in de asielprocedure te beklagen.
6.4
Alles bij elkaar in samenhang bezien heeft eiser onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om te concluderen dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan bij overdracht aan Polen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen, omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is. Eiser krijgt geen vergoeding van de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
Dit volgt uit artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
Zie de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
Zie de uitspraak van 27 december 2022 (NL22.25641, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Zie de uitspraak van 20 december 2022 (NL22.22036, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) en die van 16 maart 2023, (NL23.5028, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Zie de uitspraken van 15 maart 2023, (NL23.6220, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) en van 2 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2022:5724).
Verwezen is naar de zaaknummers 202205283/1, 202205043/1, 20230157/1, 20230157/2 en 202305926/1.
Zoals bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, zaaknummer C-578/16.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Zie het arrest Jawo tegen Duitsland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, zaaknummer C-163/17, rechtsoverwegingen 91 – 93.
Zie onder meer de uitspraken van de zittingsplaats Arnhem van 2 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5327 en van 14 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10621, die van de zittingsplaats Groningen van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11840 en die van de zittingsplaats Rotterdam van 13 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10315.