Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:12297
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,803 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29006
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in ieder geval zware gronden 3a en 3m en de lichte gronden 4c en 4d aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Zware grond 3a is feitelijk juist. Eiser beschikt namelijk niet over een geldig grensoverschrijdend document waarmee hij vrij in de Europese Unie dan wel het Schengengebied mag reizen. Verweerder heeft in lijn met rechtspraak van de Afdeling in de maatregel van bewaring niet slechts een feitelijke toelichting gegeven bij zware grond 3m, maar ook gemotiveerd waarom de bewaring in dit geval noodzakelijk is voor het realiseren van de in deze grond bedoelde overdracht. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de uiterste overdrachtstermijn ten tijde van het opleggen van de maatregel in de nabije toekomst lag aangezien deze termijn op 2 augustus 2024 verstrijkt. Dat eiser daarvoor beroep heeft ingesteld en heeft verzocht om een voorlopige voorziening doet daaraan niet af.
Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist omdat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat eiser zich hierdoor aan het toezicht onttrekt en de voorbereiding voor zijn overdracht belemmert. Deze zware en lichte gronden kunnen, in samenhang bezien en gelet op de gegeven toelichting, de maatregel van bewaring reeds dragen, omdat daaruit een significant risico voortvloeit dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige in de maatregel genoemde gronden kunnen daarom verder onbesproken blijven.
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring prematuur is opgelegd, omdat op het moment dat de maatregel werd opgelegd nog niet duidelijk was wanneer het beroep in de asielprocedure op zitting zou worden behandeld en omdat eiser de uitspraak in Nederland mocht afwachten door tijdige indiening van een verzoek om een voorlopige voorziening. Er was geen enkele reden om aan te nemen dat eiser tussen 18 juli en 2 augustus 2024 zich zou onttrekken aan een overdracht. Eiser heeft ook geen poging tot onderduiken gedaan, omdat hij de zogenaamde Handhavings- en Toezichtlocatie in Hoogeveen (HTL) niet heeft verlaten. Nog steeds is niet bekend wanneer het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting wordt behandeld, de maatregel dient dan ook opgeheven te worden.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat inmiddels bij uitspraak van 30 juli 2024 is beslist op het beroep tegen het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag. Op diezelfde dag is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de grondslag van de bewaring, artikel 59a, eerste lid, van de Vw, juist is en de maatregel van bewaring niet prematuur is opgelegd. In tegenstelling tot wat eiser betoogt maakt de omstandigheid, dat hij beroep had ingesteld tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en de omstandigheid dat hij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mocht afwachten, dat niet anders. Dit laat namelijk onverlet dat er – vanwege het afgegeven claimakkoord en het genomen overdrachtsbesluit – sprake was van een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Daarnaast bestond er op het moment van de inbewaringstelling een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, zoals volgt uit wat hierboven onder rechtsoverweging 3. is overwogen.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Met zaaknummer: NL24.20690.
Met zaaknummer: NL24.20691.
Verordening (EU) nr. 604/2013.